Leviticus 25: 1-8 het sabbatsjaar

Voor Jakob heeft Hij het vastgesteld als een verordening, voor Israël als een eeuwig verbond, door te zeggen: Ik zal u het land Kanaän geven:

het gebied dat uw erfelijk bezit is.

                                                             Psalm 105:10-11

1 De HEERE sprak tot Mozes bij de berg Sinaï: 2 Spreek tot de Israëlieten, en zeg tegen hen: Wanneer u gekomen bent in het land dat Ik u geven zal, dan moet het land rust krijgen, een sabbat voor de HEERE. 3 Zes jaar mag u uw akker bezaaien, zes jaar mag u uw wijngaard snoeien en de opbrengst ervan inzamelen. 4 Maar in het zevende jaar moet het voor het land sabbat zijn, een periode van volledige rust, een sabbat voor de HEERE. Uw akker mag u niet bezaaien en uw wijngaard mag u niet snoeien. 5 Wat er na uw laatste oogst nog opkomt, mag u niet oogsten, en de druiven van uw ongesnoeide wijnstok mag u niet plukken. Het is een jaar van volkomen rust voor het land. 6 De opbrengst van de sabbat van het land zal voor u als voedsel dienen: voor u en uw slaaf en uw slavin, uw dagloner en uw bijwoner, die bij u als vreemdeling verblijven. 7 Ook voor uw vee en voor de wilde dieren die in uw land leven, mag heel de opbrengst ervan als voedsel dienen.


In dit hoofdstuk gaat het o.a. over het sabbatsjaar. Zoals het iedere zevende dag sabbat is, zo moet het ieder zevende jaar een sabbatsjaar zijn. Zo'n jaar wordt ook wel "Shemitah" genoemd. Het land dient braak te liggen, wat vanzelf groeit is voor de armen, schulden moeten worden kwijtgescholden, slaven vrijgelaten. Na zeven maal zeven sabbatsjaren volgt het vijftigste jaar, het jubeljaar.

Toen Israël in de woestijn was, wist God al dat het volk in de toekomst zich niet altijd aan de sabbatsjaren zou houden. In Leviticus 26 maakt God dit al aan Mozes bekend:

Leviticus 36:34 Dan zal het land behagen scheppen in zijn sabbatsjaren, alle dagen dat het verwoest ligt en u in het land van uw vijanden bent. Dan zal het land rusten en zal het behagen scheppen in zijn sabbatsjaren. 35 Alle dagen dat het verwoest ligt, zal het rusten, omdat het niet rustte gedurende uw sabbatten, toen u het bewoonde. 43 Terwijl het land door hen verlaten is en behagen schept in zijn sabbatsjaren – het ligt er immers omwille van hen verlaten bij – hebben zijzelf behagen in de straf voor hun ongerechtigheid, omdat, ja, omdat zij Mijn bepalingen verwierpen en hun ziel van Mijn verordeningen walgde.

 

Voor elk niet gehouden sabbatsjaar is het volk dan ook één jaar in ballingschap gegaan.

2 Kronieken 36:21 om het woord van de HEERE, bij monde van Jeremia gesproken, te vervullen, totdat het land behagen zou scheppen in zijn sabbatsjaren. Het rustte al de dagen van de verwoesting, totdat de zeventig jaar vervuld waren.

 

Opvallend in Leviticus 25 is het woord “sabbat”. In dit hoofdstuk  vinden we elf keer het woord sabbat en twee maal sabbaton. Het geeft aan hoe belangrijk de plaats van de sabbat in het hele heilsgebeuren is. Zoals we zojuist lazen is de sabbat, hoewel in de eerste plaats voor YHWH, dus ook bestemd voor het land, het grondgebied van Israël. 
In vers 8 van Leviticus 25 lezen we dan ook dat God zegt:

 

“het land behoort Mij toe. U bent immers vreemdelingen en bijwoners bij Mij.”

 

God geeft het Israël in gebruik. En dat geldt nog steeds. Bij alle strijd die er in onze tijd is om dat land, moeten we voor ogen houden dat het God toebehoort en dat Hij het aan Israël geeft om te gebruiken. Israël heeft het grondgebied dus in bruikleen wat door God zelf zo geregeld is.

In Exodus 23 vinden we eveneens het gebod voor het sabbatsjaar:

 

Exodus 23:11 maar in het zevende jaar moet u het land met rust laten en het braak laten liggen, zodat de armen onder uw volk kunnen eten; en het overschot ervan kunnen de dieren van het veld eten. U moet hetzelfde doen met uw wijngaard en met uw olijfbomen.

God vraagt om gehoorzaamheid. Het land heeft de sabbat nodig. Menselijk gezien zit er een groot risico in om een jaar niet te zaaien. Stel je voor dat er niets groeit, dat er niets te eten is en dat er geen geld verdiend wordt! God verwacht dat we Hem vertrouwen. Hij doet wat Hij belooft. Wie op Hem vertrouwt, komt niet beschaamd uit en dat moet Israël leren.  Het zal daardoor overvloedig worden gezegend. En dat geldt ook voor ons. Ook wij hebben onze lessen nodig. Door God te vertrouwen en Hem te gehoorzamen wordt ons geloof versterkt en God wordt erdoor verheerlijkt.

 

We zien in het gebod van het sabbatsjaar hoe God zijn zorg toont voor degenen die minder te besteden hebben, die schulden hebben, over de slaven die weer vrij kunnen worden, en zelfs de dieren die hiervan kunnen profiteren. Het teruggeven van eigendommen in het jubeljaar is een prachtig gebod. Als Israël zich daaraan houdt, zou er geen verarming plaats vinden. Ook wij zouden ervan kunnen leren. Op deze manier is het niet mogelijk dat de rijken steeds rijker en de armen steeds armer worden. Het ligt voor de hand dat deze wetten in het nabijkomende Vrederijk, het ultieme Jubeljaar (Sabbatsmillennium!!) ook werkelijk worden toegepast.

 

zie ook Sabbatsjaar en Jubeljaar