English & other languages: click here!
Klaagliederen 3b
Dit is het vervolg op Klaagliederen 3a.
Onderwerpen die bij Jeremia naar voren komen zijn: dat Gods oordeel niet berust op willekeur, maar op rechtvaardigheid. In dit tweede gedeelte van dit hoofdstuk roept Jeremia op tot zelfonderzoek en terugkeer naar God. Hij moedigt het volk aan
om
- Hun wegen te onderzoeken
- Terug te keren naar God
- Hun zonden te erkennen
Het hoofdstuk eindigt met:
- Tranen over de verwoesting van het volk
- Een gebed dat God zal ingrijpen
- De redding van Jeremia uit de put
- De spot en smaad over Gods dienaar
- Vervloeking van de slechte vijgen
Klaagliederen 3:34-39
34. Dat men vertrapt onder zijn voeten lamed
alle gevangenen van de aarde;
35. dat men het recht van een man buigt lamed
voor het aangezicht van de Allerhoogste;
36. dat men een mens in zijn rechtszaak in het ongelijk stelt; lamed
zou de Heere het niet zien?
37. Wie zegt iets en het gebeurt, mem
als de Heere het niet gebiedt?
38. Komt niet uit de mond van de Allerhoogste voort mem
het kwade en het goede?
39. Wat klaagt dan een mens die leeft? mem
Laat ieder klagen over zijn zonden!
Dat men alle gevangenen van de aarde onder zijn voeten vertrapt........ de verzen 34 t.m. 37 sommen de wreedheden van de vijand op: men 'vertrapt' de gevangenen, buigt de 'mensenrechten', zelfs in een rechtszaak. Het is een constatering znder meer. Dan stelt Jeremia de retorische vraag "zou de Heere het niet zien?". Natuurlijk ziet God dat. De vijand zal niet vrijuit gaan als God gaat rechtspreken. Al deze dingen gaan niet buiten God om.
Komt niet uit de mond van de Allerhoogste voort het kwade en het goede.......? Dit zijn allemaaal zulke Bijbelse vanzelfsprekendheden dat dit geen toelichting nodig heeft. Het is wel een waarheid waarvan we ons altijd terdege bewust moeten zijn. Het enige dat we hierover zouden kunnen opmerken is, dat met 'het kwade' geen zonden bedoeld worden, maar tegenslagen, verdriet en ellende.
Wat klaagt dan een mens die leeft? mem Laat ieder klagen over zijn zonden......! De mensen moeten niet zeuren over al die dingen. Ze horen erbij in deze gevallen wereld. Wees blij dat God je het leven geeft en klaag maar over je eigen zonden. Wees daar maar bedroefd over.
Klaagliederen 3:40-45
40. Laten wij onze wegen onderzoeken en doorzoeken, nun
en laten wij terugkeren tot de HEERE!
41. Laten wij met onze handen ook ons hart opheffen, nun
tot God in de hemel!
42. Wíj hebben overtreden en zijn ongehoorzaam geweest! nun
Ú hebt niet vergeven!
43. U hebt U in toorn gehuld en hebt ons achtervolgd; samech
U hebt gedood, U hebt niet gespaard.
44. U hebt U in een wolk gehuld,¸samech
zodat er geen gebed doorkwam.
45. Uitvaagsel en afval hebt U van ons gemaakt samech
in het midden van de volken!
Laten wij onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laten wij terugkeren tot de HEERE.......! Deze woorden zijn gericht op het achtergebleven volk dat ernstig lijdt waarmee Jeremia in het verwoeste Jeruzalem verblijft. Het zijn voornamelijk de 'slechte vijgen' uit Jeremia 24, die niet mee wilden gaan naar Babel, tegen Gods raad in. Wat hier gezegd wordt is een vervolg op de vorige teksten. Het is goed wanneer een mens nadenkt over de dingen die hem overkomen in het licht van de relatie die men met God heeft.
Als men ziet dat er niet meer zoveel mogelijkheden zijn om zijn eigen positie te verbeteren, is het beter om de zonden te belijden en hart en handen op te heffen tot God in de hemel. In feite gaat Jeremia de aanwezigen al voor in een gebed van schuldbelijdenis:
"Wíj hebben overtreden en zijn ongehoorzaam geweest! Ú hebt niet vergeven!, U hebt U in toorn gehuld en hebt ons achtervolgd; U hebt gedood, U hebt niet gespaard. U hebt U in een wolk gehuld, zodat er geen gebed doorkwam. Uitvaagsel en afval hebt U van ons gemaakt in het midden van de volken!"
"U hebt U in een wolk gehuld" ...... in onze taal hebben we het er dan over dat 'de hemel van koper' is. Zoiets lijkt hier ook bedoeld te zijn.
Paulus zegt in 1 Korinthe 4:13 Wij zijn geworden als het uitvaagsel van de wereld en het afschraapsel van allen tot nu toe. Zijn bediening die hij van God had gekregen om het evangelie te verkondigen en zijn liefde voor God en degenen die het Woord aannamen, maakte dat hij bereid was om deze positie in te nemen. Dit zal voor de inwoners van Jeruzalem in het algemeen zo worden als ze zich bekeren tegen de tijd dat het Vrederijk gaat aanbreken en alle volken hen als uitvaagsel zien. Dan komt ook het oordeel over de volken. Maar ook vóór die tijd is een volk vaak al oordeelrijp.
Klaagliederen 3:46-51
51. Zij hebben tegen ons hun mond opengesperd, pe
al onze vijanden.
47. Angst en valkuil zijn over ons gekomen, pe
de verwoesting en de ondergang.
48. Waterbeken stromen neer uit mijn oog pe
vanwege de ondergang van de dochter van mijn volk.
49. Mijn oog vloeit van tranen en kan niet ophouden, ain
omdat er geen rust is;
50. totdat de HEERE neerkijkt en ziet ain
uit de hemel.
51. Mijn oog doet mijn ziel kwelling aan ain
vanwege al de dochters van mijn stad.
al onze vijanden hebben tegen ons hun mond opengesperd........ omdat dit in een bepaalde dichtvorm, gelinkt aan het alfabet, geschreven is, was de keuze hier voor het woord "mond", want de letter Pé(פ) is de zeventiende letter van het Hebreeuwse alfabet en de betekenis van het woord "pèh" (פֶּה) is ook mond. De "mond opensperren" betekent dan verachting en leedvermaak (Psalm 22:14; 35:21). Nu is het volk Israël bang, murw geslagen door de dood en het verderf dat rondwaart in hun midden.
Angst en valkuil zijn over ons gekomen, de verwoesting en de ondergang......... Jeremia huilt opnieuw om zijn volk. De opening die er was in vers 22-24, toen hij zijn blijdschap uitte over het feit dat ze niet omgekomen waren en Gods barmhartigheden die hij elke morgen zag, is weer gesloten. De rampen die de Joden moeten meemaken stapelen zich op. Het grijpt de profeet aan. Hij wordt niet voor niets de 'wenende profeet' genoemd. Maar hij heeft ook alle aanleiding om te rouwen en te huilen.
Waterbeken stromen neer uit mijn oog vanwege de ondergang van de dochter van mijn volk....... Net als David in Psalm 119:136 gebruikt hij het overtreffende beeld van waterbeken die uit zijn oog stromen. Het is zijn volk, maar het is ook Gods volk. In Jeremia 14:17 zei Jeremia: ‘Mijn ogen zullen van tranen nederdalen, nacht en dag’. De 'dochter Sions' is meestal beeldspraak voor de stad Jeruzalem, maar hier gaat het over de dochter van mijn volk en in vers 51: de dochters van mijn stad.. Misschien zijn er wel naar verhouding veel alleenstaande vrouwen (met kinderen) overgebleven. Jeremia heeft oog voor de kwetsbaren. Vrouwen met kinderen zonder inkomen, die ook in oorlogssituaties vaak bloot staan aan verkrachtingen. Niet zelden verkopen ze zichzelf om de kinderen van voedsel te voorzien.
totdat de HEERE neerkijkt en ziet uit de hemel.......... Jeremia blijft het verwachten van YAHWEH die toch ook ziet wat er zich nu afspeelt in Jeruzalem en hoopt en bidt om Zijn genade.
Klaagliederen 3:52-57
52. Zij die mijn vijanden zijn zonder reden, tsade
hebben fel op mij gejaagd als op een vogel.
53. Zij hebben mijn leven in een put gesmoord, tsade
en hebben een steen op mij geworpen.
54. Water heeft mijn hoofd overstroomd; tsade
ik zei: Ik ben afgesneden!
55. Ik heb Uw Naam aangeroepen, HEERE, koph
vanuit het diepste van de put.
56. U hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor niet
voor mijn zuchten, voor mijn hulpgeroep.
57. U bent nabij geweest op de dag dat ik U aanriep; koph
U hebt gezegd: Wees niet bevreesd!
mijn vijanden hebben zonder reden, fel op mij gejaagd als op een vogel........ Jeremia gaat nu tot God smeken uit eigen ervaring. Dit gebeurde vlak voor de val van de stad Jeruzalem. Toen de kring rond koning Zedekia
Jeremia aanviel en in een put gooide. Ze wilden hem de mond snoeren.
Zij hebben mijn leven in een put gesmoord........Het was de bedoeling dat hij in de modder zou wegzinken en sterven. Er werd een steen op hem geworpen en het water stroomde over hem heen. Het voelde voor Jeremia dat zijn leven was afgesneden: voorbij. Je kunt het lezen in Jeremia 38.
vanuit het diepste van de put heb ik Uw Naam aangeroepen, HEERE......... in het diepste van de put, maar
ook vanuit het diepste van zijn ziel riep Jeremia zijn God om hulp. En God verhoorde hem. De Ethiopiër Ebed Melech was met Jeremia begaan en hij ging naar koning Zedekia en eiste hulp om Jeremia te bevrijden. Met dertig helpers bevrijdde Ebed Melech Jeremia uit zijn benarde toestand.
U hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn hulpgeroep.......
God verloste Jeremia uit de put, zoals Hij ook Jozef, Jona en Daniël bevrijdde. God hoorde het gebed van Jeremia. Hij is nabij allen die Hem in waarheid aanroepen (Psalm 145:18). God zei: “Wees niet bevreesd”. Dit is de enige keer in Klaagliederen dat een persoonlijk woord van de HEERE wordt aangehaald. Het gebeurde op een moment toen voor Jeremia de nood het hoogst was.
Klaagliederen 3:58-63
58. U, Heere, hebt de rechtszaken van mijn ziel gevoerd, resj
U hebt mijn leven verlost.
59. U, HEERE, hebt mijn verdrukking gezien; resj
verschaf mij recht.
60. U hebt al hun wraakzucht gezien, resj
al hun plannen waren tegen mij.
61. U hebt hun smaden gehoord, HEERE, sin, sjin
al hun plannen waren tegen mij;
62. de taal van mijn tegenstanders en hun gemompel sin, sjin
tegen mij de hele dag.
63. Aanschouw hun zitten en opstaan: sin, sjin
ik ben hun spotlied.
U, Heere, hebt de rechtszaken van mijn ziel gevoerd, U hebt mijn leven verlost.......... Jeremia komt bij God terug op de worsteling die hij destijds in de put met God had. En hoe wonderlijk God hem uit die uitzichtloze omstandigheden verlost had.
U, HEERE, hebt mijn verdrukking gezien; verschaf mij recht......... Terwijl hij handelt vanuit een goed geweten, wordt hij op allerlei manieren dwars gezeten. Hij komt op voor het volk van God. Hij zoekt hun redding. Het wordt hem niet in dank afgenomen. Jeremia roept God op om hem recht te doen.
U hebt al hun wraakzucht gezien, al hun plannen waren tegen mij......... voor mijn gevoel is het allemaal zo tegenstrijdig. Het volk van God is in nood. Het is het gevolg van hun ongehoorzaamheid. Het waren de slechte vijgen in het profetische visioen. Tegelijk bespotten ze degene die voor hun redding pleit. Jeremia ervaart zelfs hun wraakzucht. Jeremia roept dan weer "U hoort toch hun smaden"? Al hun plannen waren tegen Jeremia. Ja, maar die plannen waren vooral tegen God. Wie Gods dienaar smaadt, smaadt zijn Zender.
de taal van mijn tegenstanders en hun gemompel....... al hun plannen waren tegen mij......... Jeremia kan er niet meer tegen. De hele houding van het volk rechtvaardigt zijn pleiten voor hen niet. Jeremia klaagt bij God: " ik ben hun spotlied.".
Het oordeel over de slechte vijgen - Jeremia 24:8-10
Klaagliederen 3:64-66
64. Vergeldt u hun, HEERE, wat zij verdienen, taw
naar het werk van hun handen.
65. Geeft U hun een deksel op het hart; taw
laat Uw vloek over hen zijn!
66. Achtervolgt U hen in toorn en vaagt U hen weg taw
van onder de hemel van de HEERE.
Vergeldt u hun, HEERE, wat zij verdienen, naar het werk van hun handen........... zover moest het met Jeremia komen. Er is een punt waarop de genade niet meer van toepassing kan zijn, hoe verdrietig ook. Dit is het resultaat van hun handelen. Het is net zo als in de oordelen die in Openbaring beschreven worden, ze kregen alle kansen, maar ze bekeerden zich niet (Openbaring 9:20; 16:9; 16:11).
Geeft U hun een deksel op het hart; laat Uw vloek over hen zijn.......! Er komt een moment dat de maat van de zonde vol is. Jeremia probeerde nog steeds om het goede voor hen te zoeken. Maar God had hem al voorbereid. Nu valt het doek voor deze mensen van het uitverkoren volk. Maar u hebt niet gewild.......! (Mattheüs 23:37c).
Achtervolgt U hen in toorn en vaagt U hen weg van onder de hemel van de HEERE........ ook dat is evangelie. Alles wat satan tot vader heeft moet weggevaagd worden. Zo zal God zijn schepping louteren. Niet alleen in Israël, want daar begint het oordeel (Zach. 13:8-9; 1 Petrus 4:17) , maar ook in ons werelddeel (Openb. 9:15,18). Dat is de rechtvaardigheid van YAHWEH, de God van het Verbond met Israël.
Ida