English & other languages: click here!
Klaagliederen 4
In hoofdstuk 4 zien wij net zoals in de vorige hoofdstukken de toorn van God. In dit hoofdstuk wordt Gods gramschap door Jeremia uitgelegd en zelfs verdedigd. Jeremia is een profeet die zichzelf persoonlijk met zijn boodschap identificeert. Hij beschrijft de gruwelijke omkering van alles wat eens kostbaar, sterk en gezegend was in Sion. De stad, haar leiders, haar kinderen en zelfs haar religieuze elite zijn vernederd. Evenals zijn voorgangers, de profeten Jesaja en Amos, had Jeremia duidelijk gepredikt dat DE DAG. de Dag van YAHWEH, geen dag van overwinning en vreugde zou zijn, zoals valse profeten het hen voorspiegelden, en wat de mensen zo graag wilden horen. Het zou een duistere, bittere dag zijn van ondergang en droefheid. Jeremia predikte Gods waarheid, want hij was door God aangesteld tot een versterkte stad, tot een ijzeren pilaar en tot bronzen muren, tegen heel het land, tegen de koningen van Juda, tegen de vorsten en priesters en tegen de bevolking: hij was onverwrikbaar (Jeremia 1:18). Tegelijk was hij zo begaan met het lot van zijn volksgenoten, dat hij ook daarin zich één voelde met het volk.
In de verzen 1-11 zien wij een aantal vergelijkingen tussen het Jeruzalem dat was en nu is. Vanaf vers 12 zien wij de gedachten en de handelingen van de omliggende heidense natiën.
1. Van goud naar grauw — totale omkering
Klaagliederen 4:1-2
1. Hoe is het goud donker geworden, aleph
het goede, fijne goud veranderd!
De stenen van het heiligdom liggen in het rond
op de hoeken van alle straten!
2. De kostbare kinderen van Sion, beth
eens gewaardeerd als zuiver goud,
nu beschouwd als aarden kruiken,
werk van pottenbakkershanden!
Hoe is het goud donker geworden...... het edele metaal is lelijk en uitgeslagen, het goud is grauw geworden. Dit is tekenend voor de voorheen welvarende bevolking van Jeruzalem. De eertijds welgeklede vrouwen bepalen nu als hongerige zombies het stadsbeeld.
De stenen van het heiligdom liggen overal verspreid........ de tempel, het pronkjuweel van hun religieusiteit, is verwoest en overal liggen de stenen die getuigen van Gods toorn. Hoe somber is de stad die een vreugde op de aarde bedoelde te zijn.
De kostbare kinderen van Sion.....Deze kinderen (of worden de inwoners kinderen van Sion bedoeld?) werden vergeleken met fijn goud – een van de meest kostbare grondstoffen – maar nu lijken het potscherven. Oude, kapotte kruiken werden gewoon op de weg stukgegooid en platgetrapt. Men verstevigde het wegoppervlak ermee. De potscherf werd dan weer tot aarde. Stof ben je en tot stof zul je terugkeren (Gen. 3:19b).
2. Onmenselijke omstandigheden
Klaagliederen 4:3-5
3. Zelfs jakhalzen reiken hun jongen de borst, gimel
om ze te laten zuigen;
maar de dochter van mijn volk is zo wreed geworden
als struisvogels in de woestijn.
4. De tong van de zuigeling kleeft daleth
aan zijn gehemelte van dorst.
Kleine kinderen vragen om brood,
niemand verstrekt het hun.
5. Zij die eens lekkernijen aten, he
kwijnen nu weg op de straten;
zij die eens met karmozijnrode stof vertrouwd waren,
omarmen nu het vuil.
Zelfs jakhalzen reiken hun jongen de borst, om ze te laten zuigen.......... de wrede jakhalzen achtervolgen in groepen hun prooi, maar zij laten tenminste het voeden van hun jongen voorgaan. De verbitterde vrouwen uit Jeruzalem zijn zo wreed geworden, ze lijken meer op struisvogels die volgens Job 39:16-19 hun eieren zonder bescherming in het zand laten liggen en wegvliegen
De tong van de zuigeling kleeft aan zijn gehemelte van dorst....... die babies zijn er slechter aan toe dan de jongen van jakhalzen, want die krijgen de borst toegereikt, maar zo'n hulpeloos baby-tje zal sterven als de moeder het verwaarloost. Het ziet er niet goed uit als je het zover laat komen dat het tongetje van het kindje aan het gehemelte kleeft. Dat uitdrogen gaat snel.
Kleine kinderen vragen om brood, niemand verstrekt het hun...... als er geen brood is kun je dat ook niet geven. Maar gezien de wreedheid die in dit verslag naar voren komt, wordt er ook niets met de kinderen gedeeld. Ook hier zien we weer dat bij ongehoorzaamheid de vloek van Leviticus 26:26 en Deuteronomium 28:49 in werking treedt. David zegt in Psalm 37:25 dat hij een rechtvaardige nooit verlaten heeft gezien of dat zijn nageslacht brood zocht.
Zij die eens lekkernijen aten, kwijnen nu weg op de straten...... ja alles wordt omgekeerd. De zegen is veranderd in vloek. God had via de mond van Jeremia het volk gewaarschuwd dat dit bij ongehoorzaamheid zou komen (o.a. Jeremia 5:17).
zij die eens met karmozijnrode stof vertrouwd waren, omarmen nu het vuil......... De profeet Jesaja had de dochters van Sion ook al gewaarschuwd dat die tijd zou komen (Jesaja 3:16-24). Men kleedde zich met purper en karmozijn, en omringde zich met luxe en comfort. Maar nu worden de mesthopen en het vuilnis doorzocht op voedsel. Daar blijf je in de buurt zodat niet een ander iets wegpikt wat te eten is. Op de mesthoop gaat 'de slechte vijg' met het laatste restje bewustzijn, langzaam over tot ontbinding. Wat een schril contrast!
3. Erger dan Sodom
Klaagliederen 4: 6. Groter is de ongerechtigheid van de dochter van mijn volk waw
dan de zonde van Sodom,
dat als in een ogenblik ondersteboven werd gekeerd,
zonder toedoen van mensenhanden.
7. Haar aanzienlijksten waren reiner dan sneeuw, zain
blanker dan melk,
roder van lichaam dan robijnen;
hun gestalte was gladder dan een saffier.
8. Maar zwarter dan roet is nu hun gestalte, cheth
onherkenbaar zijn zij op de straten.
Hun huid is ineengeschrompeld op hun beenderen,
ze is verdord, ze is geworden als hout.
Jeruzalem dat zich presenteerde in waardigheid,
is in Gods ogen waardeloos bevonden.
De ongerechtigheid van de dochter van mijn volk is groter dan de zonde van Sodom........ het stervensproces van 'de slechte vijgen' (Jeremia 24) het ontrouwe deel van Jeruzalem/Juda duurde door de honger veel langzamer en veel tragischer dan de slachtoffers in Sodom, die in een ogenblik door vuur en zwavel werden weggevaagd. Dat heeft dan ook te maken met de grote ongerechtigheid van Sodom. Het moet voor Jeremia ook verschrikkelijk zijn geweest om dat aan te zien terwijl hij bovendienook nog bespot werd (Klaagliederen 3:61-63). Jeremia was tijdens transport naar Babel, door een lijfwacht van Nebuzaradan van Babel, er tussenuit gehaald en kreeg het advies om bij Gedalja te gaan wonen. Gedalja was aangesteld tot gouverneur van Babel in het land Israël. Gedalja woonde in Mizpa (in het gebied van Benjamin, ten noordwesten van Jeruzalem). Gedalja was de kleinzoon van Safan van welke familie Jeremia altijd veel steun heeft ondervonden. Gedalja werd later vermoord (Jeremia 41:2).
Haar aanzienlijksten waren reiner dan sneeuw, blanker dan melk........ ‘Wat een contrasten worden hier tussen toen en nu getekend.’ Het gaat om uiterlijkheden, zeker, maar wat een verschil met de sterk vermagerde mannen. Mannen met grote ogen en uitstekende jukbeenderen en een smalle neus. Je zag hun skelet met ribben overal doorheen steken.. En nu.....
zwarter dan roet is nu hun gestalte, onherkenbaar zijn zij op de straten......... wat een afgang! Je zou ze niet meer herkennen. De voorheen zo mooie blanke huid is nu zwart als roet. De hele dag verlangen ze naar voedsel en het is er niet. De organen zijn pijnlijk en het lijf krimpt. De mens wordt zwak en sleept zichzelf voort, zolang dat nog kan. De huid schrompelt en voelt aan als hout. De vloek houdt een totaal verderf in, een niet te beschrijven ondergang. Het voorportaal van de hel.
Klaagliederen 4:9
9. Zij die vielen door het zwaard zijn beter af teth
dan zij die vielen door de honger,
want als doorstoken kwijnen die weg
omdat de velden niets opbrengen.
10. De handen van barmhartige vrouwen jod
hebben hun eigen kinderen gekookt.
Zij zijn hun tot voedsel geworden
bij de ondergang van de dochter van mijn volk.
Zij die vielen door het zwaard zijn beter af ......... Toen Babel de stad Jeruzalem binnenviel zijn er doden gevallen, zoals dat met elke oorlog gebeurt. Sterven in een oorlog brengt veel verdriet, maar langzaamaan omkomen van de honger is nog veel erger. Het lijden, de aftakeling, het wegkwijnen in eenzaamheid en verbittering, dat het uithongeren met zich mee brengt, is het ergste wat een vloek uitwerkt.
De handen van barmhartige vrouwen hebben hun eigen kinderen gekookt......... de ellende moet wel buiten elke proportie zijn als moeders, die hun kinderen normaal gesproken koesteren en beschermen, hun eigen kinderen koken en eten om te overleven. Dan gaan alle zogenaamde 'humane' principes overboord. De tekst in dit hoofdstuk benadrukt dat dit gebeurde "bij de ondergang van de dochter van mijn volk" als gevolg van de zonden en de toorn van YAHWEH. De Bijbel beschrijft eenzelfde mensonterende situatie bij de belegering van Samaria door de Syrische koning Benhadad (2 Koningen 6:26-29).
4. Gods toorn en de val van leiders
YAHWEH stak in Sion een vuur aan
dat haar fundamenten verteerde !
Klaagliederen 4:11-13
11. De HEERE heeft Zijn grimmigheid ten uitvoer gebracht,
kaph, Hij heeft Zijn brandende toorn uitgestort.
Hij stak in Sion een vuur aan,
dat haar fundamenten verteerde.
12. De koningen van de aarde zouden het niet geloofd hebben,
lamed
al de wereldbewoners evenmin,
dat tegenstander of vijand zou komen
binnen de poorten van Jeruzalem.
13. Het is vanwege de zonden van haar profeten, mem
vanwege de ongerechtigheden van haar priesters,
die in haar midden vergoten hebben
het bloed van de rechtvaardigen.
4. PROFETIE GAAT AAN DE GESCHIEDENIS VOORAF - YAHWEH HEEFT ZIJN GRIMMIGHEID TEN UITVOER GEBRACHT
Jeremia had al jaren tevoren steeds maar weer gewaarschuwd. Het volk vond dat niet leuk. Ze wilden liever luisteren naar valse predikers met een zogenaamde 'positieve boodschap'.
Als het volk straks in ballingschap zal gaan zal men begrijpen dat dit vuur als straf van God komt. Het is door het volk zelf aangestoken doordat zij met hun voortdurende afgoderij Gods toorn hebben geprikkeld. Het zal tot in eeuwigheid branden, net zo als het vuur in de hel. (Deut.32:22a)
Maar wie zich bekeert zal uit het vuur gered worden. (1 Kor. 3:15 ). Zo is het nog altijd. De mensen die achterbleven in Jeruzalem waren niet meegegaan naar Babel, hoewel God gezegd had dat ze dat wel moesten doen. Zij zijn van de honger gestorven. God heeft Zijn brandende toorn uitgestort!
Hij stak in Sion een vuur aan, dat haar fundamenten verteerde.......Vuur staat meestal in verband met de toorn van God. In de Messiaanse Psalm 89:5 staat: "Hoelang nog, HEERE? Zult U Zich voor altijd verbergen? Hoelang zal Uw grimmigheid branden als een vuur?" In deze psalm heeft Ethan het over het koningschap van David en het gaat profetisch over in de Gezalfde aan wie de lengte van dagen van Psalm 21 niet ten deel valt. Het Koningschap van David lag als fundament onder Gods Koninkrijk op aarde. Met de wegvoering van de ongehoorzame Zedekia, was Israëls aardse Koninkrijk ten einde gekomen. De koninklijke fundamenten waren verteerd door Gods toorn. Yeshua droeg eveneens Gods toorn die voor de zondige mens bedoeld was. Maar in Hem is er het nieuwe fundament: de Hoeksteen, waarop het hele gebouw rust: het Nieuwe Jeruzalem en de troon van David.!
De koningen van de aarde zouden het niet geloofd hebben...... wat sluit dit mooi daarop aan. Inderdaad, wie van de machthebbers op aarde houdt rekening met het fudament wat God gelegd heeft voor het ware Koninkrijk in Yeshua onze Elohim? Ze zullen nog eens hun knieën voor Hem moeten buigen. Dit geldt dan ook voor de wereldbewoners. Voor de mensen om ons heen. Voor de wereld om ons heen die geen zicht heeft op het Koninkrijk van God dat zich aan het ontwikkelen is. Wat zal men raar staan te kijken.
dat tegenstander of vijand zou komen binnen de poorten van Jeruzalem....... in die tijd wisten de volken dat Jeruzalem een onneembare stad was. De stad had nog niet zo erg lang geleden de belegering van Sanherib, de koning van Assur in 720 v Chr. door Gods wonderlijke hulp doorstaan. Deze Sanherib had een grote mond tegen de God van Israël.. Maar God sloeg het leger van Assur. Een engel van de Heere doodde in één nacht 185.000 soldaten in het Assyrische kamp. De overgebleven soldaten en Sanherib dropen af.
Jesaja 37:36-37. Toen trok de engel van de HEERE ten strijde en sloeg in het legerkamp van Assyrië honderdvijfentachtigduizend man neer. Toen men de volgende morgen vroeg opstond, zie, het waren allemaal dode lichamen. Daarop brak Sanherib, de koning van Assyrië, op. Hij trok weg en keerde naar zijn land terug;
5. Gods toorn en de val van leiders
Het is vanwege de zonden van haar profeten......... het waren profeten die voorgaven dat ze namens God spraken, maar de mensen niet opriepen zich van hun zonden te bekeren. Jeremia met zijn oordeelsaankondigingen was maar een zwartkijker in hun ogen en dus ook in de ogen van het volk. Jeremia zat vol van wat hij wist dat er komen zou, maar de mensen lachten hem uit of werden kwaad op hem. En Jeremia kon zijn boodschap niet kwijt. Wat was dat frustrerend! De valse profeten zijn er ook in onze tijd! Ze hanteren net als die priesters in Israël bijbelteksten. En de mensen dachten dat het met hun wel goed zat. Jeremia schrijft daarover:
Jeremia 6:13-15
13. Want van hun kleinste tot hun grootste,
ieder van hen is uit op winstbejag.
Van profeet tot priester
pleegt ieder van hen bedrog.
14. Zij genezen de breuk van Mijn volk
op het lichtst, door te zeggen: Vrede, vrede! Maar er is geen vrede.
15. Staan zij beschaamd, omdat zij een gruweldaad gedaan hebben?
Ze schamen zich niet in het minst,
ja, zij weten van geen blozen.
Daarom zullen zij vallen onder hen die vallen;
ten tijde dat Ik hen zal straffen, zullen zij struikelen,
zegt de HEERE.
Het preken over "vrede" ligt de mensen goed in het gehoor. Zulke predikers worden gewaardeerd. Maar ze onthouden de mensen de mogelijkheid tot bekering. Het is vaak zo dat de degenen die geestelijke leiding moeten geven, de mensen met mooie, vriendelijke woorden op een dwaalweg leiden. Wij kennen het spreekwoord "zachte heelmeesters maken stinkende wonden". Paulus had ook vaak last van zulke predikers.
1 Thessalonicenzen 5:2 -3
2. Want u weet zelf heel goed dat de dag van de Heere komt als een dief in de nacht.
3. Want wanneer zij zullen zeggen: Er is vrede en veiligheid, dan zal een onverwacht verderf hun overkomen, zoals de barensweeën een zwangere vrouw, en zij zullen het beslist niet ontvluchten.
Dat plotselinge verderf overkwam Jeruzalem. Zij, in de stad waar de tempel stond, dachten dat hen zoiets nooit zou gebeuren. God liet Zijn tempel niet verwoesten door heidenen. Ze hadden ook altijd gepredikt dat dit niet zou gebeuren. Hun prediking kwam niet van God. Alles liep dus heel anders. Pas dus op als je zo'n vriendelijke pastor hebt die voorbij gaat aan de zonden, aan de afval die geprofeteerd is, die niet spreekt over de antichrist die komt. Die de oproep vergeet om je te reinigen, om klaar te zijn voor de tijd dat Yeshua komt. Zijn Koninkrijk komt, maar voorafgaand daaraan ook het oordeel.
vanwege de ongerechtigheden van haar priesters,........ die priesters zullen ervoor verantwoordelijk gesteld worden. Zij hebben hun 'schaapjes' misleid en uitgebuit. De profeten verkondigden leugens. De priesters lieten toe dat offers gecombineerd werden met afgodenoffers (Jeremia 5:31; Jeremia 6:20; 8:1-2; ). Er vonden kinderoffers plaats aan de Moloch in het Hinnomdal (Jeremia 19:5-6; Jeremia 32:35).
die in haar midden vergoten hebben het bloed van de rechtvaardigen....... Niet alleen wezen ze de verkeerde weg, maar de mensen die de goede weg bleven gaan, maakten ze het leven ook nog eens onmogelijk. Ze konden het niet uitstaan, wanneer ze tegengesproken werden. Ze stonden de rechtvaardigen naar het leven. Wanneer vrome mensen vermoord werden, liep het spoor vaak terug naar dit soort profeten. Ze zorgden er soms voor dat Jeremia in de gevangenis terecht kwam. Want Jeremia legde ook bij hen de zonden bloot. Hij sprak ze erop aan. Als ze er gehoor aan zouden geven zou het tot hun heil zijn. Maar het tegendeel gebeurt vaak. In Mattheüs 23:35, waar wordt gesproken over "Zacharia, de zoon van Berechja, die u gedood hebt tussen het tempel en het altaar", gaat het om de moord op Zacharia. Zie ook: Lukas 11:
Klaagliederen 4:14-16
14. Blind wankelden zij op de straten, nun
met bloed besmet,
zodat men hun kleren
niet kon aanraken.
15. Ga opzij, onrein! riepen zij tot hen. samech
Ga opzij! Ga opzij! Raak ons niet aan!
Voorzeker, zij zijn weggevlogen, ja, weggezworven; men zei onder de heidenvolken:
Zij mogen hier niet langer verblijven.
16. Het aangezicht van de HEERE heeft hen verstrooid. pe
Hij zal hen voortaan niet meer aanzien.
Zij hebben geen ontzag gehad voor de priesters,
de oudsten hebben zij geen genade bewezen.
Blind wankelden zij op de straten........ Nu het oordeel over Jeruzalem gekomen is vallen zij zeker onder het oordeel. Ze lopen ook te zoeken naar voedsel. Ze hebben hun aanzien bij de mensen verloren. Zij altijd met hun mooie praatjes. De andere overlevenden hebben geen ontzag voor hen. Als er wat te eten is gevonden wordt het voor elkaar weggegrist. Iedereen vecht voor zijn eigen hachje,
met bloed besmet, zodat men hun kleren niet kon aanraken........ Ze hadden vuile, bebloede kleding aan, bezoeldeld met het onschuldig vergoten bloed. Hun eer en aanzien is verdwenen.
Ga opzij, onrein! riepen zij tot hen. Ga opzij! Ga opzij! Raak ons niet aan!....... deze priesters worden als melaatsen behandeld. Deze geestelijke leiders die vroeger aanzien hadden, die altijd vertelden wat de mensen graag willen horen, nu worden ze weggejaagd, veracht en ontweken. Ze begrepen dat hun mooie beloftes niet in vervulling waren gegaan en bang voor de confrontatie wilden ze zich verschuilen onder de heidenvolken, maar die wilden ze daar ook niet hebben. Ze moesten overal vandaan.
Het aangezicht van de HEERE heeft hen verstrooid......... het was de straf van God. Jeremia had al zo vaak tegen hen geprofeteerd, wat hadden ze hem tegengewerkt, wat hadden ze afbreuk aan Gods Woord gedaan. God verstrooit hen, Hij wijst hen af. Is het niet alle tijden door dat velen van hen die het Woord onderwijzen juist degenen zijn die het Woord verkrachten? Niet het minst ook in onze tijd. Maar God zal ze ermee confronteren, zoals Hij dat ook hier deed. Hij zal hen voortaan niet meer aanzien!
Zij hebben geen ontzag gehad voor de priesters........... Vroeger was er misschien sprake van een groot ontzag voor dit soort mensen. Men keek
hen naar de ogen. Maar nu wist men wel beter. Het waren bedriegers, leugenaars die hen sprookjes op de mouw hadden gespeld. de oudsten hebben zij geen genade bewezen............ de voorheen aanzienlijke oudsten vinden geen hulp, geen genade bij hen die vroeger naar hen luiserden.
5. Valse hoop op bondgenoten
Klaagliederen 4:17-20
17. Voortdurend bezweken onze ogen, ain
uitziend naar hulp voor ons. Tevergeefs.
Op onze uitkijkposten keken wij uit
naar een volk dat niet verlossen kon.
18. Zij jaagden onze voetstappen na; tsade
wij konden op onze pleinen niet gaan.
Nabij is ons einde, onze dagen zijn voorbij,
voorzeker, ons einde is gekomen.
Tevergeefs uitzien naar hulp
Klaagliederen 4:19-20
19. Onze vervolgers waren sneller koph
dan arenden in de lucht!
Op de bergen achtervolgden zij ons fel,
in de woestijn legden zij een hinderlaag voor ons.
20. Onze levensadem, de gezalfde van de HEERE, resj
is in hun kuilen gevangen,
hij van wie wij gezegd hadden:
in zijn schaduw zullen wij leven onder de heidenvolken!
Voortdurend bezweken onze ogen, uitziend naar hulp voor ons............. de priesterlijke klasse van Jeruzalem had verwacht dat er voor hen wel een weg zou zijn om het leven voort te zetten. Ze waren niet de weg van de ballingschap gegaan, die God hen had aangeraden. Mensen menen het zo vaak beter te weten dan God. Maar de gevolgen zullen ze merken. Dit waren de priesters en profeten die de opdracht hadden om over het volk te waken, maar ze hadden het bloed van de rechtvaardigen vergoten (vers 13)! Jeremia wist er alles van (Jeremia 26:8). Deze priesterklasse had geprobeerd om met Zedekia te vluchten en te ontkomen aan het Babylonische leger. Hun koning werd gevangen genomen en de mannen gingen teleurgesteld terug naar Jeruzalem. Toen ze terugkwamen moesten de mensen in Jeruzalem niets van hun hebben. Ze hadden alle geloofwaardigheid verloren.
Toen gingen ze op uitkijkposten staan, in de hoop en verwachting dat er van de naburige volken hulp zou komen. Ze tuurden, tuurden maar of er een bode kwam met een verlossend voorstel. Maar het was allemaal tevergeefs!
Zij jaagden onze voetstappen na; wij konden op onze pleinen niet gaan......... ze werden opgejaagd door hun stadsgenoten en op de pleinen waarop ze voorheen hun mooi gekleurde boodschappen verkondigden, wordt hun de toegang ontzegd. Wat was Jeremia vaak ontmoedigd geweest door zulke sprekers, waardoor het Woord van God dat Jeremia verkondigde van zijn kracht werd beroofd. Ze wilden Jeremia zelfs doden!
Jeremia 26:8-9, 11
8. Het gebeurde zodra Jeremia geëindigd had uit te spreken alles wat de HEERE geboden had tot heel het volk te spreken, dat de priesters, de profeten en heel het volk hem grepen en zeiden: U zult zeker sterven!
9. Waarom hebt u in de Naam van de HEERE geprofeteerd: Dit huis zal worden als Silo en deze stad zal verwoest worden, zodat er geen inwoner meer is? En heel het volk liep te hoop tegen Jeremia in het huis van de HEERE.
11. Toen zeiden de priesters en de profeten tegen de vorsten en tegen heel het volk: Deze man heeft de doodstraf verdiend, want hij heeft geprofeteerd tegen deze stad, zoals u met eigen oren gehoord hebt.
Nabij is ons einde, onze dagen zijn voorbij, voorzeker, ons einde is gekomen........ de priesterklasse begrijpt dat de rollen zijn omgedraaid. Hun einde is nabij!! Er is geen ontkomen aan.
Onze vervolgers waren sneller dan arenden in de lucht!......... de volkswoede die zich eerder op Jeremia had gericht komt nu op hun eigen hoofd neer.
Op de bergen achtervolgden zij ons fel, in de woestijn legden zij een hinderlaag voor ons........ deze priesters en andere geestelijke leiders waren met koning Zedekia meegevlucht. Die behoorde immers ook tot hun gezamenlijk leiderschap. Ze hoorden bij hem. Maar het Babylonische leger achtervolgde hen en koning Zedekia werd geboeid afgevoerd, zijn zonen werden voor zijn ogen gedood en daarna werden de ogen uitgestoken van deze goddeloze koning op Davids troon (2 Koningen 25:7).
Onze levensadem, de gezalfde van de HEERE, is in hun kuilen gevangen........ de geestelijke klasse had nog een hoge dunk van hun koning. Ze vonden hem zelfs zo belangrijk dat ze hem 'hun levensadem' noemde, en 'de Gezalfde van YAHWEH''. Nu was een koning in Israël ook een Gezalfde van de HEERE, maar Zedekia had deze titel niet waar gemaakt tijdens zijn regering. Daarom onderging hij deze vreselijke vloek over zijn leven. En de priesterschare deelde daarin.
Hij (koning Zedekia) van wie wij gezegd hadden: in zijn schaduw zullen wij leven onder de heidenvolken!...........met de koning kwamen ze bedrogen uit. Hij was verre van een verwijzing naar de komende Vredevorst zoals HIJ wordt afgebeeld in Ezechiël 17:23. Koning Zedekia hoorde bij de vluchtelingen die voor hun leven renden in de richting van Jericho (2 Koningen 25:7).
De beker zal ook bij u langskomen
Klaagliederen 4:21-22
21. Wees vrolijk en blij, dochter van Edom,
die in het land Uz woont!
De beker zal ook bij u langskomen:
u zult dronken worden en ontbloot worden.
22. Uw ongerechtigheid zal voorbij zijn, dochter van Sion! taw
Hij zal u niet meer in ballingschap voeren!
Uw ongerechtigheid, dochter van Edom, zal Hij straffen!
Hij zal uw zonden openbaren!
Wees vrolijk en blij, dochter van Edom, die in het land Uz woont....... Met 'de dochter van Edom' wordt het volk van Edom als een vrouw voorgesteld. Jeremia weet dat Edom (nageslacht van Ezau - ook Amalek) zo'n plezier had om de ondergang van Jeruzalem en zegt dan spottend: "Ja, lachen jullie maar, verblijd je maar, jullie beurt komt ook!" In de Tora is er al gezegd dat deze strijd er tot het einde zal zijn (Exodus 17:16; Numeri 24:20). Jeruzalem heeft het aardse oordeel ondergaan – voor het overblijfsel is er weer toekomst. Maar Edom zal met het oordeel voorgoed van het aardse toneel verdwijnen.
De beker zal ook bij u langskomen.......een beker die dronkenschap veroorzaakt........ De beker is de toorn an God. Edom zal naakt tentoongesteld worden, d.w.z. het zal heel duidelijk te zien zijn waar het kwaad gehuisvest is. Ezau had niet mogen toekijken op de dag van de ondergang van zijn broeder (Obadja 1:12). Zoals u gedaan hebt, zal u gedaan worden (Obadja 1:15).
Uw ongerechtigheid zal voorbij zijn, dochter van Sion! ......... Voor Sion is er de belofte dat de straf op de zonden niet eeuwig zal duren. Er komt een moment dat "haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is." (Jesaja 40:2). Israël kan niet ten onder gaan, want Gods beloften zijn betrouwbaar.
Edom, Hij zal u niet meer in ballingschap voeren! In het Vrederijk zal Edom er niet zijn om hen in ballingschap te voeren, want hij zal voor eeuwig uitgeroeid worden. (Obadja 1:10 c)
Uw ongerechtigheid, dochter van Edom, zal Hij straffen!........ Zoals Edom juichte omdat Israël wordt gestraft, zo is ook de dag van oordeel, dan zal Gods gemeemte zich verblljden als de goddelozen worden gestraft en zij zullen YAHWEH de eer geven..
Zo hebben we in deze geschiedenis een voorspel op de laatste dagen, waarin de Messias Zijn volk naar de eindoverwinning zal leiden.
Jesaja 12:1-3
1. Op die dag zal Israël zeggen:
Ik dank U, HEERE, dat U toornig op mij geweest bent,
maar Uw toorn is afgekeerd en U troost mij.
2. Zie, God is mijn heil,
ik zal vertrouwen en geen angst hebben,
want mijn kracht en psalm is de HEEREHEERE,
3. en Hij is mij tot heil geworden.
We zullen met vreugde water scheppen
uit de bronnen van het heil.