Klaagliederen 5


In dit vijfde hoofdstuk beschrijft Jeremia levendig de nederlaag: het verlies van vrijheid van land, van aanzien. Wreedheid en verkrachting, dwangarbeid en de hongerdood. En dat alles om de begane zonden! Je proeft een andere gevoelswaarde dan daarvoor, het is geen beschrijving meer van wat er gebeurd is, maar een gebed. Hij bidt God om verlost te worden. Het is een laatste, wanhopige roep om herstel.

De onderwerpen:

  1. “Heer, herinner U ons” — een roep om aandacht
  2. De gevolgen van de verwoesting
  1. De geestelijke kern: “Wij hebben gezondigd”
  2. Gods eeuwige heerschappij als laatste houvast
  3. Het slot: een paradox van hoop en onzekerheid

 


  1. “Heer, herinner U ons” — een roep om aandacht

Klaagliederen 5:1 Denk, HEERE, aan wat er met ons gebeurd is, aanschouw en zie onze smaad!

Denk, HEERE, aan wat er met ons gebeurd is, aanschouw en zie onze smaad!   

Dit gebed wordt in het meervoud uitgesproken, als een gezamenlijk gebed van een gemeenschap. Het was een bekende formulering.

Uit het vorige hoofdstuk kwam naar voren dat er niet veel te merken was van schuldgevoel en belijdenis van zonden. Men was verbitterd en bespotte Jeremia die notabene nog voor hen bad. In een commentaar las ik "dat in deze formulering een literaire dichtvorm werd gebruikt voor een 'collectief klaaglied' of 'klaaglied van het volk', waarin de biddende gemeenschap zich met haar klacht wendt tot God en bidt om erbarming." Daarom lijkt het me meer voor de hand te liggen dat Jeremia dit gebed uitsprak met Gedalja, de gouverneur, bij wie hij in huis woonde (Jeremia 40:5). Mogelijk waren er bij Gedalja meer getrouwe huisgenoten. Gedalja was de kleinzoon van Safan, die zich altijd bekommerd had om Jeremia. Safan was een hooggeplaatse dienaar aan het hof van de gelovige koning Josia. Hij was betrokken bij het terugvinden van de Tora in de tempel (2 Kon. 22:3-13), waaraan al lange tijd geen aandacht meer was besteed. 

  1. De gevolgen van de verwoesting

Klaagliederen 5:2-5
2. Ons erfelijk bezit is vervallen aan vreemden, onze huizen aan buitenlanders.
3. Wij zijn wezen zonder vader, onze moeders zijn als weduwen.
4. Ons water drinken wij voor geld; ons hout komt tot ons voor een prijs.
5. Wij worden op onze nek gezeten; wij zijn doodmoe, maar rust gunt men ons niet!

2. Ons erfelijk bezit is vervallen aan vreemden, onze huizen aan buitenlanders.
3. Wij zijn wezen zonder vader, onze moeders zijn als weduwen.
4. Ons water drinken wij voor geld; ons hout komt tot ons voor een prijs.
5. Wij worden op onze nek gezeten; wij zijn doodmoe, maar rust gunt men ons niet!