English & other languages: click here!

Klaagliederen 3a


Klaagliederen 3 is het emotionele middelpunt van het boek. Het beschrijft diepe wanhoop, maar ook één van de krachtigste geloofsbelijdenissen in de Bijbel: dat Gods trouw blijft, zelfs wanneer alles verloren lijkt. De profeet Jeremia identificeert zich met het getuchtigde volk en stort gepijnigd en vol geloof zijn hart uit bij de HEERE!  Ook in dit hoofdstuk wordt, zij het op een andere manier (drie verzen voor elke letter), gebruik gemaakt van de alfabetische dichtvorm.

In de eerste 11 verzen beschrijft Jeremia het lot van Jeruzalem en in de tweede helft betreurt Jeruzalem haar lot. Te midden van zijn verdriet richt Jeremia zijn ogen op God en erkent hij dat Gods trouw groot is (vers 23).  Ondanks de dood en verwoesting keert Jeremia de situatie om in een gigantische geloofsoverwinning, wetende dat God hem nooit heeft laten vallen. Dit is het hoofdstuk met de meeste lichtpunten.

De profeet Jeremia beschrijft zijn diepe persoonlijke nood:

  • Een gevoel van totale duisternis en verlatenheid
  • Lichamelijke en geestelijke uitputting
  • Het idee dat God ver weg is
  • Het verlies van vrede, hoop en kracht
  • Een gevoel van totale duisternis en verlatenheid

Klaagliederen 3:1
1. Ik ben de man die ellende gezien heeft aleph door de stok van Zijn verbolgenheid.
2. Mij heeft Hij geleid en doen gaan aleph in duisternis, en niet in licht.
3. Ja, Hij heeft telkens weer Zijn hand aleph tegen mij gekeerd, de hele dag.
4. Hij heeft mijn vlees en mijn huid doen wegteren, beth Hij heeft mijn beenderen gebroken.
5. Hij heeft tegen mij aan gebouwd en Hij heeft mij omsingeld beth met gal en moeite.
6. In duistere oorden doet Hij mij wonen, beth als degenen die allang dood zijn.

Ik ben de man die ellende gezien heeftdoor de stok van Zijn verbolgenheid......... Als je tot je door laat dringen wat in beide vorige hoofdstukken is beschreven, dan begrijpen we dat Jeremia heel veel ellende heeft gezien. Trouwens zijn hele loopbaan als profeet heeft hem niet veel vreugde gebracht. En dan kwam dat ook nog omdat dit het gevolg was van Gods toorn. Beseffen we wel dat dit ook in onze tijd het geval kan zijn als Israël kwaad overkomt? We geven gauw de aanvallers de schuld en terecht, dat hebben ze ook. Maar er is ook een ander heel belangrijk aspect. In de hoofdstukken over zegen en vloek (Leviticus 26 en Deuteronomium 28) heeft God deze oordelen aangekondigd als het volk niet zou handelen naar Zijn geboden. En als ze na een straf geen verandering laten zien kan God die straf wel zeven maal! erger maken. Als het volk gehoorzaam zou zijn, zouden de vijanden voor hen wegvluchten (Lev. 26:36 en Deut. 28:7). Dat maakt duidelijk dat God iets van Israël verwacht: bekering! Via die oordelen brengt Hij hen wel tot Zijn doel, althans een overblijfsel van Zijn volk. 

Mij heeft Hij geleid en doen gaan in duisternis, en niet in licht......... Jeremia identificeert zich uit liefde met het volk, zoals Yeshua dat later ook deed. Hij ging met hen de duisternis in, maar met de bedoeling hen naar en in het Licht van YAHWEH te leiden. Maar ze lieten zich niet leiden. 

Hij heeft telkens weer Zijn hand tegen mij gekeerd, de hele dag........ Jeremia beschrijft het intense, dagelijkse lijden, met het volk waarvan hij deel uitmaakt, onder de toorn van God. Hij leed met hen mee.  

Hij heeft mijn vlees en mijn huid doen wegteren........ ook Job zei iets dergelijks in zijn lijden (Job 7:5). Het geeft aan dat het verdriet hem lichamelijk heel zwak maakt. Alle levenskracht is weggeëbd. Hij heeft mijn beenderen gebroken...... Koning Hizkia zag tijdens zijn ziekte God als een leeuw die zijn beenderen zou breken (Jesaja 38:13). Het tekent de doodsnood in het lijden. Hij heeft tegen mij aan gebouwd en Hij heeft mij omsingeld........ deze woorden lijken erop dat Jeremia zich hier vereenzelvigt met het lijden van de stad op zichzelf. De belegeringswallen waren door de vijand om de muur gebouwd, waardoor de bevolking ingesloten werd door de omsingelende legers. Wat een benauwdheid om hongerig en hulpeloos gevangen te zitten tussen de eigen stadsmuren. Jeremia deelde in dat lijden. Hij voelde dat als "gal en moeite"

De HEERE doet hem In duistere oorden wonen......... alles om hem heen is duister alsof hij tussen lijken woont. Veel mensen zijn al gedood, of weggevoerd en die nog over zijn, omdat ze trouw wilden blijven aan de goddeloze koning Zedekia, ontbreekt het aan alles en vooral aan levensmoed, nu hun koning ook gevangen was genomen.  Het is de schaduw van de dood. Zo hopeloos en wanhopig als de inwoners voelt Jeremia zich ook (Ps 143:3; Psalm 88:10-12).

Klaagliederen 3:7-12
7. Hij heeft een muur om mij heen opgeworpen, zodat ik er niet uit kan gaan; gimel Hij heeft mijn bronzen ketenen zwaar gemaakt.
8. Ook wanneer ik het uitschreeuw en om hulp roep, gimel sluit Hij Zijn oren voor mijn gebed.
9. Hij heeft mijn wegen versperd met gehouwen stenen, gimel mijn paden heeft Hij krom gemaakt.
10. Een loerende beer is Hij voor mij, daleth een leeuw op verborgen plaatsen.
11. Mijn wegen heeft Hij afgebogen en Hij heeft mij verscheurd; daleth Hij heeft van mij een woestenij gemaakt.
12. Hij heeft Zijn boog gespannen, daleth en Hij stelde mij als doelwit voor Zijn pijl.

Hij heeft een muur om mij heen opgeworpen, zodat ik er niet uit kan gaan....... Behalve die stenen muur was er ook een geestelijke muur. Zoals Yeshua droeg hij ook de toorn van God over zonden waaraan hij geen deel had. Hij ziet in zijn geest voor zich hoe de laatste koning van het huis van David, Zedekia, met bronzen ketttingen geboeid werd afgevoerd naar Babel (Jeremia 39:7). Het voelde alsof hij zelf zo zwaar geboeid was.  

Ook wanneer ik het uitschreeuw en om hulp roep, sluit Hij Zijn oren voor mijn gebed.......... Jeremia heeft altijd voor zijn volk gebeden, dat deed hij ook nu. Maar eerder had God hem gezegd niet voor dit ongehoorzame volk te bidden (Jeremia 7:16; 11:11). De HEERE kiest bewust voor boosheid. Ook wanneer ik het uitschreeuw en om hulp roep, sluit Hij Zijn oren voor mijn gebed....... Het lijkt op Exodus 32:14 na de zonde met het gouden kalf, toen de Allerhoogste tot Mozes zei: "Nu dan, laat mij begaan, zodat Mijn toorn tegen hen ontbrandt en Ik hen vernietig".  Eigenlijk is de situatie van Jeremia wel enigzins daarmee te vergelijken. Na de zonde met het gouden kalf zijn 3.000 mensen gedood en met een deel ging God verder. Maar in Jeremia's geval waren de mensen die nog in Jeruzalem en Juda woonden degenen waarvan de profetie in Jeremia 34 duidelijk maakte dat zij de slechte vijgen waren, waarover een oordeel werd uitgesproken. Degenen die Gods oordeel erkenden gingen mee met de deportatie en zouden tot hun welzijn onder Gods hoede blijven (Jeremia 24:5-7).  


Zoals die goede vijgen, zo zal Ik de ballingen van Juda, die Ik heb weggestuurd naar Babel, kennen ten goede. Ik zal Mijn oog op hen gericht houden ten goede. Zij zullen Mij tot een volk zijn en Ík zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij bekeren met heel hun hart. Jeremia 24:5-7

Zoals de slechte oneetbare vijgen,– zo zal Ik Zedekia maken en het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven. Ik zal hen tot een schrikbeeld stellen, tot spot en tot een vloek, totdat zij omgekomen zullen zijn uit het land dat Ik hun en hun vaderen heb gegeven. Jeremia 24:8-10 

Uit Jeremia 40:1-6 weten we dat Jeremia uit de stoet ballingen werd gehaald door een lijfwacht van Nebuzaradan. Hij mocht kiezen tussen blijven in Jeruzalem of vrijwillig meegaan naar Babel. Jeremia koos ervoor in Jeruzalem te blijven. 


Hij heeft mijn wegen versperd met gehouwen stenen, mijn paden heeft Hij krom gemaakt....... waarschijnlijk geldt zijn verdriet ook de stad Jeruzalem, die een schoonheid en een vreugde voor heel de aarde had moeten zijn. (Klaagl. 2:5) . Hij was zo diep verbonden met het volk en de stad. De kromme paden verwijzen naar het ontbreken van vrede en recht (Jesaja 59:8). Jeremia is geen man om te zeggen: "nou jullie zitten om je eigen ongehoorzaamheid in de zorgen, Ik ervaar de vrede en het recht van God". Nee, Jeremia deelt in het leed en de wanhoop.  God is voor hem: Een loerende beer, een leeuw op verborgen plaatsen. Het lijkt wel of we Job hier horen klagen (Job 10:16).

Mijn wegen heeft Hij afgebogen en Hij heeft mij verscheurd; .......... Heeft zijn jarenlange prediking dan niets uitgewerkt? Heeft hij gefaald? Zulke gedachten kunnen door je heen gaan. Deze situatie is een beproeving voor Jeremia. 

Hij heeft van mij een woestenij gemaakt........... zo voelt Jeremia zich, verward en aangeslagen. Maar tegelijk is het de vraag of de vereenzelviging met het volk voor God waarde heeft als het niet gepaard gaat met een oprechte schuldbelijdenis. Richt God daarom Zijn pijl en boog op Jeremia? Hij heeft het volk wel opgeroepen om voor Gods aangezicht tranen te storten, maar zijn die tranen om hun lot, het leed dat ervaren wordt òf om berouw over de zonden die zijn begaan? Denkt Jeremia nog wel aan wat hij geprofeteerd heeft over de slechte vijgen?

Hij heeft Zijn boog gespannen, en Hij stelde mij als doelwit voor Zijn pijl......... Zoiets lazen we ook in Klaagliederen 2:4. Dat God zich een vijand betoonde ten opzichte van het volk is nog te begrijpen. Maar dat God Zijn pijl richt op Zijn trouwe dienaar Jeremia, die niet aflatend het volk gewaarschuwd had, is moeilijker te verteren. Dat geeft toch wel aan dat Jeremia samen met God die boosheid zou moeten hebben. Hij ging eerder door met bidden voor het volk, terwijl God driemaal had gezegd dat hij dat niet moest doen (Jeremia 7:16; 11:14; 14:12), omdat de mensen zich zo hadden verhard dat er geen weg terug meer was. Jeremia zou zich bij dit oordeel moeten neerleggen, hoe moeilijk dat ook voor hem was. Hieruit sprak zijn liefde en bewogenheid voor Gods volk, maar gehoorzamen aan God was belangrijker.                                                                         

Klaagliederen 3:13-18
13. Hij heeft in mijn nieren doen binnendringen he de pijlen uit Zijn koker.
14. Ik ben belachelijk geworden voor heel mijn volk, he
het onderwerp van hun spotlied, de hele dag.
15. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, he Hij heeft mij met alsem doordrenkt.
16. Hij heeft mij mijn tanden op kiezelstenen laten stukbijten, waw
Hij heeft mij in de as neergedrukt.
17. Van vrede verstoten is mijn ziel, waw ik ben het goede vergeten.
18. En ik zei: Mijn kracht is vergaan, waw en wat ik van de HEERE verwachtte.

Jeremia treurt over de verwoesting van Jeruzalem - Rembrandt

Hij heeft in mijn nieren doen binnendringende pijlen uit Zijn koker........In de bijbelse beeldspraak symboliseren de nieren het diepste innerlijk van de mens, de zetel van emoties en gevoelens. Op allerlei manieren wordt het zware lijden van Jeremia verwoord.  De HEERE pakt hem hard aan.

Ik ben belachelijk geworden voor heel mijn volk....... Hier lezen we dat het volk, dat hem zo ter harte gaat hem allesbehalve waardig behandelt. Ze zingen zelfs spotliedjes op Jeremia, de hele dag lang.  Daaruit blijkt toch dat ze zijn meelevend verdriet niet waardig zijn. Het onderstreept hun verharde harten. 

Hij heeft mij met bitterheden verzadigd....... Jeremia ervaart dat God hem in deze bittere ellende heeft gestort. Dit beeld van extreme bitterheid en lijden wordt versterkt door de volgende verzen waarin hij het over alsem heeft. God geeft Jeremia overvloedig alsem – bitterheid -  te drinken (Spreuken 5:4; Amos 5:7). Jeremia beschrijft dat zijn tanden op kiezelstenen zijn gebroken en hij in de as is neergedrukt.  Ook hier zien we gelijkenissen met het lijden van Job  (Job 9:18). 

Van vrede verstoten is mijn ziel, ik ben het goede vergeten....... Jeremia heeft geen vrede meer en hij klaagt erover bij de HEERE. Hij is vergeten dat er ook goede tijden waren. Hij hoeft ook niets meer van God te verwachten. Je vraagt je af waarom God hem zo alleen laat in zijn nood. Jeremia die altijd Gods woordvoerder was en de bevolking van Jeruzalem voortdurend gewaarschuwd had in de Naam van God. Waarom laat God hem zo lijden?

Ik zei: Mijn kracht is vergaan, en wat ik van de HEERE verwachtte....... Wat is Jeremia zwak en moedeloos. Dit had hij toch niet van de HEERE verwacht. Hij voelde zich in de steek gelaten door Hem voor Wie hij leefde. Dit past niet in ons denken over God, die toch een God van liefde
en genade is. 

  • Gods trouw in tijden van lijden

Klaagliederen 3:19-24
19. Denk aan mijn ellende en mijn ontheemding, zain aan de alsem en de gal.
20. Mijn ziel denkt er onophoudelijk aan, zain zij buigt zich neer in mij.
21. Dit zal ik ter harte nemen, zain daarom zal ik hopen:
22. Het is de goedertierenheid van de HEERE dat wij niet omgekomen zijn, cheth dat Zijn barmhartigheid niet opgehouden is!
23. Nieuw zijn ze, elke morgen; cheth groot is Uw trouw!
24. Mijn deel is de HEERE, zegt mijn ziel, cheth daarom zal ik op Hem hopen.

Denk aan mijn ellende en mijn ontheemding, aan de alsem en de gal......... Je ziet dat God alle deuren sluit. Zelfs de deur van gebed. Hij reageert niet. Er is alleen maar ellende om hem heen. Een verwoeste stad en spottende slachtoffers. Dat is bitter, dat is alsem en gal. 

  • Hoop midden in duisternis

Mijn ziel denkt er onophoudelijk aan, zij buigt zich neer in mij........... alles wat er in Jeremia's gedachten komt is onverdragelijk. Zijn ziel buigt verslagen neer. Jeremia heeft geen levensmoed meer. Maar dan....... zomaar ineens een sprankje hoop? Gods Geest is in hem aan het werk!

Dit zal ik ter harte nemen, daarom zal ik hopen....... het lijkt erop dat hij een beslissing gaat nemen, een beslissing met hoop. Hij gaat iets ter harte nemen. Hij pakt zichzelf bij elkaar..... zo lijkt het....... en dan ineens, breekt er licht door:

Het is de goedertierenheid van de HEERE dat wij niet omgekomen zijn.......... er breekt een lofzang door! Het is genade van God, goedertierenheid (Hebreeuws: chessed חַסְד) wat hij helemaal over het hoofd heeft gezien. "Wij zijn niet omgekomen!!! HALLELUJA",  wat een genade! Er blijkt toch een deur open te zijn, een "deur van hoop" een soort deur van Achor (Hosea 2:14), daarom zal Jeremia toch hopen!! Hoe had hij dat over het hoofd gezien...... Zijn barmhartigheid is niet opgehouden....... ! God zal verder gaan met het deel dat zich naar Babel heeft laten voeren. Alles is niet verloren. Alleen satan doet ons denken dat God de verliezer is en hij de winnaar. 

Nieuw zijn ze, elke morgen; groot is Uw trouw......! Intussen heeft Jeremia ontdekt wat er fout was in zijn denken. God laat niet los wat Zijn hand is begonnen. Er is weer een nieuwe morgen aangebroken in het geloofsleven van Jeremia. Hij roept het uit:   GROOT IS GODS TROUW!  

Mijn deel is de HEERE, zegt mijn ziel......... zegt jouw ziel dat ook? Je hebt deel aan YAHWEH, aan Zijn beloften, aan Zijn wezen. Hij is je bron. Dat beseft Jeremia ook ineens. Hij kan met David zeggen: "wat buigt ge u neder, mijn ziel.....! Hoop daarom op God en loof Hem! (Psalm 42:6-7). Daarom neemt hij zich voor alles van Hem te verwachten.

Klaagl. 3:22–23 (“Zijn barmhartigheden houden niet op… elke morgen nieuw”) sluit nauw aan bij:

  • Psalm 103:8–14 — Gods barmhartigheid en geduld met zwakke mensen
  • Psalm 30:6“Een ogenblik duurt zijn toorn, een leven lang zijn goedgunstigheid”
  • Jesaja 40:27–31 — God ziet het lijden van zijn volk en vernieuwt kracht

Deze teksten laten zien dat Gods trouw geen abstract idee is, maar een terugkerend thema door de hele Schrift.

De wending van wanhoop naar hoop in Klaagliederen 3 weerspiegelt:

  • Habakuk 3:17–19 — vertrouwen ondanks omstandigheden
  • Romeinen 5:3–5 — lijden brengt volharding en hoop voort
  • 2 Korintiërs 4:7–10, 16–18“Wij worden verdrukt, maar niet in het nauw gedreven”

Paulus bouwt voort op dezelfde overtuiging: Gods trouw is sterker dan onze omstandigheden.

Klaagliederen 3:25-30
25. Goed is de HEERE voor wie Hem verwacht, teth voor de ziel die Hem zoekt.
26. Goed is het te hopen en stil te wachten teth op het heil van de HEERE.
27. Goed is het voor een man, als hij teth een juk draagt in zijn jeugd.
28. Laat hij eenzaam zitten en zwijgen, jod omdat Hij het hem opgelegd heeft.
29. Laat hij zijn mond in het stof steken: jod misschien is er hoop.
30. Laat hij zijn wang geven aan wie hem slaat, jod
laat hij met smaad verzadigd worden.

Goed is het voor een man, als hij een juk draagt in zijn jeugd. Klaagliederen 3:27

Goed is de HEERE voor wie Hem verwacht, voor de ziel die Hem zoekt......... De bemoediging die hier vanuit gaat is: ‘Wanneer je alles van God verwacht, mag je er op vertrouwen dat het uiteindelijk goed komt.’

Goed is het te hopen en stil te wachten op het heil van de HEERE......... Om die reden is het niet verkeerd om al jong geconfronteerd te worden met moeilijkheden. Dat heeft het voordeel dat je als mens niet naïef de volwassenheid instapt. 

Goed is het voor een man, als hij een juk draagt in zijn jeugd....... Wanneer het leven iemand toelacht in het begin, kan het uitlopen op een bittere teleurstelling. Het is goed dat hij van jongsaf aan heeft geleerd dat we van onszelf niets kunnen, maar dat we in afhankelijkheid van Gods leiding het leven aankunnen. 

Laat hij eenzaam zitten en zwijgen,omdat Hij het hem opgelegd heeft.......... Wanneer iemand van jongs af aan moeiten gekend heeft, is hij beter voorbereid op onvoorspelbare omstandigheden. In plaats van eer en lof valt iemand soms oneer en schaamte ten deel. Probeer het moedig te dragen, ziende op Yeshua die hem is voorgegaan.

Laat hij zijn mond in het stof steken: misschien is er hoop........ het is goed zich voor God te verootmoedigen, door voor Hem te zwijgen en te buigen. Volgens Psalm 113:7 helpt Hij geringe mensen opstaan uit het stof en tilt Hij armen op uit de modder, waarna Hij hen laat zitten bij de vooraanstaanden. In 1 Samuël 2:8 wordt vermeld dat Hij zwakken en armen overeind helpt, hen uit stof en slijk haalt en hen behandelt als vorsten, omdat de hele aarde door de HERE geschapen is. 

Laat hij zijn wang geven aan wie hem slaat, laat hij met smaad verzadigd worden......... Yeshua zei ook zoiets: Ik zeg u echter dat u geen weerstand moet bieden aan de boze; maar wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe; Mattheüs 5:39. Hij gaf zelf het voorbeeld: Die als Hij uitgescholden werd, niet terugschold en als Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf aan Hem, Die rechtvaardig oordeelt (1 Petrus 2:23). 

Klaagliederen 3:31-33
31. Want niet voor eeuwig verstoot kaph de Heere!
32. Want wanneer Hij bedroefd heeft, zal Hij Zich ontfermen kaph naar de grootheid van Zijn goedertierenheid.
33. Want niet van harte verdrukt Hij kaph en bedroeft Hij mensenkinderen.

Want niet voor eeuwig verstoot de Heere..........! We noemden al: Psalm 30:6“Een ogenblik duurt zijn toorn, een leven lang zijn goedgunstigheid”.  Het is waar dat God Zijn kinderen soms straft. Hij is een liefdevolle Vader en liefdevolle vaders doen dat. (Hebreeën 12:5,6) 

wanneer Hij bedroefd heeft, zal Hij Zich ontfermen......... Hij doet het ook niet voor zijn plezier. Misschien heeft de HEERE het nog wel meer te kwaad met de moeilijkheden die je overkomen, dan jijzelf. Jesaja 63:9 "In al hun benauwdheid was Hij benauwd".
Want niet van harte verdrukt Hij en bedroeft Hij mensenkinderen.......... Wat goed om dit voor ogen te houden. Deze woorden zijn vertroostend en duidelijk en hebben geen uitleg nodig. YAHWEH had er ook geen behagen in om zich af te sluiten van Jeremia. Het diende voor Gods plan en  het welzijn van Jeremia. Toen hij dat opnieuw in de gaten had kwamen er troost- en hoopvolle lofprijzingen uit zijn mond!

 

Gezien de lengte van dit hoofdstuk, zie het vervolg in Klaagliederen 3b. 

Ida