Numeri 11 & 12 opstand - kwakkels - Mirjam melaats

Als we de chiastische structuur van deze beide hoofdstukken bekijken dan zien we aan het begin en aan het eind dat de toorn van God ontbrandde.  De centrale tekst liegt er ook niet om: “u hebt Jahweh, Die in uw midden is, verworpen.” Numeri 11:20b

Betekent dit dat alles nu toch mislukt is en er geen uitzicht meer is? Nee, dat is niet het geval. Want ook de toorn van God werkt zegen uit. In de voorgaande hoofdstukken lazen we nog:

“Overeenkomstig alles wat de HEERE Mozes geboden had, zo deden de Israëlieten.” (9:5)

Zij namen de voorschriften van de HEERE in acht, op het bevel van de HEERE, door de dienst van Mozes.” (9:8)

Maar nu was er ontevredenheid in het kamp. Men mopperde op God en er kwam vuur van God aan de rand van het kamp, dat op het gebed van Mozes gedoofd werd.

De Bijbel vermeldt dat “het samenraapsel van vreemdelingen” die uit Egypte met het volk Israël waren meegetrokken “met gulzigheid waren bevangen”.  (Numeri 11:4)  Zo gaat het meestal, als je ontevreden bent met je lot, zoek je een aanleiding om te mopperen.  Er was geen vlees genoeg naar hun zin en altijd die manna….

Wat lieten de Israëlieten zich toen ook meeslepen. Was het niet net zo in de Hof van Eden? Eva had niet het gevoel dat ze iets miste, maar de slang liet haar iets zien wat volgens hem ontbrak…. En zo ontstaan zondige reacties, hetgeen zich bij Israël manifesteerde in opstand.

Voor Mozes werd heel die toestand tot stervens toe te zwaar. Zo zelfs dat hij God ervan beschuldigde dat Hij hem te zwaar belastte. Maar God begreep het en kwam Mozes tegemoet. De mensen hadden niet alleen Mozes veracht, nee……  ze hadden Jahweh Die in hun midden was verworpen! (Numeri 11:20b)

Intussen kreeg het opstandige volk een maand lang zo enorm veel kwakkels te eten, dat – zoals de Bijbel het zegt – het hun neus uit kwam.  En er vielen heel veel doden.

Mozes mocht 70 mannen uitzoeken die hem zouden kunnen helpen en Jahweh zou een deel van de Heilige Geest die op Mozes was op deze mannen leggen. De Heilige Geest is blijkbaar deelbaar. Dat  lezen we vaker in de Bijbel:

In Joël 2:28, geciteerd door Petrus op de dag van Pinksteren, zegt God “(Ik) zal uitstorten van Mijn Geest” (Hand. 2:17). De Griekse tekst zegt letterlijk: “een deel of gedeelte van”.  In 1 Johannes 4:13 staat geschreven: “Hieraan onderkennen wij, dat wij in Hem blijven en Hij in ons, dat Hij ons van zijn Geest gegeven heeft” (1 Joh 4:13 ). Elisa ontving een dubbel deel van de Geest van Elia: 2 Kon. 2:9,15.  In ieder geval is hier geen sprake van de Heilige Geest die woning in de mens gemaakt heeft, want vers 25 van Numeri 11 zegt: “En het gebeurde, toen de Geest op hen rustte, dat zij profeteerden, maar daarna niet meer.”

En dan nog Eldad en Medad. Deze mannen waren ook aan het profeteren. Zij waren wel door Mozes benaderd om deel te nemen aan de groep van 70 helpers, maar waren niet aanwezig bij de tabernakel toen Jahweh neerdaalde en de Heilige Geest op de helpers legde.  Een jongeman kwam naar Mozes en zei: “stop Eldad en Medad, want ze profeteren!” Het antwoord van Mozes zou ook in onze tijd van toepassing zijn:  “Och, waren allen van het volk van de HEERE maar profeten, dat de HEERE Zijn Geest over hen gaf!”

Maar toen ontstond er weer een ander probleem. Mirjam sprak met haar broer Aäron kwaad van Mozes omdat hij een Cusjitische vrouw genomen had. We weten dat Mozes met Zippora getrouwd was, dus hoe dit zit is niet zo duidelijk. In de studie “Be’haalotecha” van Ardelle vinden we een verklaring dat het Hebreeuwse woord voor Cusjitisch lijkt op een woord dat :”bruin getint” zou betekenen: een kleurling. Het is mogelijk dat het hier om Zippora gaat, die als herderin best een bruine kleur kan hebben gehad. Maar dat weten we niet. In ieder geval ergerde Mirjam zich eraan.  Ze vond dat God net zo goed tot Aäron en haar sprak. 

Tenslotte was Mozes  hun jongere broer. Dit hield dus een gezagscrisis in. We lezen nergens dat God bezwaar tegen de huwelijkskeuze van Mozes had.  De Bijbel getuigt in Numeri 12: 3:

                “Maar de man Mozes was zeer zachtmoedig, meer dan alle mensen die op de aardbodem waren.”

Die zachtmoedigheid betekent niet dat Mozes heel erg vriendelijk en begripvol was, een toonbeeld van humanisme. Het betekent  dat Hij ten opzichte van de wil van God zeer ontvankelijk was. In Hebreeën 11 wordt dit getuigenis over de zachtmoedigheid van Mozes gegeven:

24 Door het geloof heeft Mozes, toen hij groot geworden was, geweigerd een zoon van de dochter van de farao genoemd te worden. 25 Hij koos ervoor liever met het volk van God slecht behandeld te worden dan voor een ogenblik het genot van de zonde te hebben. 26 Hij beschouwde de smaad van Christus als grotere rijkdom dan de schatten in Egypte, want hij had het loon voor ogen.

Bijzonder om dit te lezen.  Mozes  beleefde toen al  “de smaad van Christus”, terwijl Christus nog helemaal niet was geopenbaard.  Dat betekent dat de “smaad van Christus” gehoorzaamheid ondanks lijden is.  Gelovigen van alle tijden hebben dit  ervaren, maar het bereikte  zijn dieptepunt in het aardse leven van onze Verlosser: Yeshua HaMashiach.

God komt op voor Zijn dienstknecht  met wie Hij zo vertrouwelijk omgaat. Hij nodigt Mozes, Aäron en Mirjam uit om bij de ingang van de tabernakel te komen en Hij daalde Zelf in een wolkkolom neer.  En dit is wat God tot hen sprak:

Luister toch naar Mijn woorden! Als iemand onder u een profeet is, maak Ik, de HEERE, Mij door een visioen aan hem bekend, spreek Ik met hem door een droom. Maar zo doe Ik niet tegenover Mijn dienaar Mozes,  die in Mijn hele huis trouw is, met hem spreek Ik van mond tot mond, ja, zichtbaar, en niet in raadsels. Hij aanschouwt de gestalte van de HEERE. Waarom dan bent u niet bevreesd geweest om over Mijn dienaar, over Mozes, te spreken?  (Numeri 12: 5-8)

Nadat Jahweh deze woorden gesproken had kwam zijn brandende toorn over Aäron en Mirjam.  Toen de wolk van Gods aanwezigheid verdween stond Mirjam daar als een melaatse.

Het was Mirjam geweest die met haar kwaadsprekerij was begonnen,  maar Aäron was daarin meegegaan en daarom mede schuldig.  Aäron zag verbijsterd zijn melaatse zus staan als een levende dode. Hij  besefte de diepte van de zonden die hij en Mirjam hadden bedreven. Vanuit dit zondebesef durfde hij God niet te vragen om genezing voor Mirjam en vroeg Mozes om dit te doen.  

Mozes riep uit tot God: “O God, genees haar toch!” Het antwoord van God was te vergelijken met wat een Israëlische vader in zo’n geval als straf hanteerde: “in het gezicht spuwen en zeven dagen afzondering”.  Het antwoord van God was: “Laat haar zeven dagen buiten het kamp gesloten worden, en daarna weer opgenomen worden.”  En zo gebeurde het. Na zeven dagen keerde Mirjam terug in het kamp en vertrok het volk van Hazeroth naar Paran.

De vraag hierbij is waarom alleen Mirjam en niet Aäron werd gestraft. Dit heeft ermee te maken dat Aäron de gezalfde hogepriester was. Voor hem had God een andere weg:

Leviticus 4: 3– ook als de priester, de gezalfde, gezondigd heeft, zodat het volk schuldig wordt – dan moet hij voor zijn zonde, die hij begaan heeft, als zondoffer aan de HEERE een jonge stier aanbieden – het jong van een rund – zonder enig gebrek. (Lees verder Lev. 4:3-12)

God ziet geen zonde door de vingers. Hij wil een rein en heilig volk.

   “U moet heilig voor Mij zijn, want Ik, de HEERE , ben heilig. Ik heb u van de volken afgezonderd om van Mij te zijn!”

                                                                                                                                                                                   Leviticus 20:26

Zo werd de zonde weggedaan en kon de reis naar het Beloofde Land worden vervolgd.