Numeri 32 erfdeel Ruben en Gad

Numeri 32 gaat over het in het bezit nemen van het Beloofde Land en met name het gebied Gilead dat ten oosten van de Jordaan is gelegen en door Israël was veroverd nadat de koningen Og en Sihon hen geen doorgang wilden verlenen en hen aanvielen. Dat lezen we in Numeri 21. In vers 34 van dat hoofdstuk staat dat Jaweh het land in de hand van Israël had gegeven. Dit wordt bevestigd in Psalm 136:21 en 22 waar staat dat God dit gaf als een erfelijk bezit aan Zijn dienaar Israël.

De nakomelingen van Ruben en Gad bezaten erg veel vee. Na de inname van Midian hadden ze heel veel vee van de buit in

ontvangst kunnen nemen en ze vonden het door God toegevoegde gebied Gilead een uitstekend grondgebied voor de veehouderij en zij wilden zich daar graag met hun gezinnen vestigen.

 

Toen Ruben en Gad dit aan Mozes kenbaar maakten schrok Mozes in eerste instantie en hij werd er boos om. Onmiddellijk dacht hij aan de generatie die Israël niet binnen wilde gaan, waardoor de hele tocht 40 jaar werd uitgesteld. Maar al gauw bleek dat de Rubenieten en Gadieten zich broederlijk opstelden tegenover de andere stammen, voor wie ze zelfs uit wilden gaan om het land aan de andere kant van de Jordaan in bezit te nemen.(vers 17). En Mozes stemde toe met: “en dit land zal u tot bezit zijn voor het aangezicht van de HEERE”.

Er bestaan opvattingen, zelfs binnen de andere stammen, dat deze beide stammen verkeerd handelden door Mozes om dit gebied te vragen. Maar Gods Woord zegt dit:

En dit land, dat wij toen bezaten, van Aroer, dat aan de rivier de Arnon ligt, en de halve berg Gilead, en de steden daarvan, gaf ik (Mozes) aan de Rubenieten en de Gadieten. (Deuteronomium 3:12)

Dat ook de halve stam Manasse hierbij hoorde lezen we in Numeri 34:14 en Jozua 13:7,8.

Het is goed om in dit verband Jozua 22 te lezen. Hier zien we dat de overige stammen de Rubenieten en Gadieten in een kwaad daglicht stelden. Maar Pinehas deed onderzoek daarnaar en kwam tot deze conclusie:

 

En Pinehas, de zoon van de priester Eleazar, zei tegen de nakomelingen van Ruben, tegen de nakomelingen van Gad en tegen de nakomelingen van Manasse: Vandaag weten wij dat de HEERE in ons midden is, omdat u deze trouwbreuk tegen de HEERE niet hebt gepleegd. Zo hebt u de Israëlieten gered uit de hand van de HEERE. Jozua 22:31

 

En zo waren ze zelfs tot zegen van hun volksgenoten.