Numeri 35 en 36 Levietensteden en vrijsteden

Numeri 35 gaat over verdeling van bepaalde steden in het Beloofde Land:

  1. steden voor de Levieten – die zelf geen bezittingen hadden
  2. steden om naar toe te vluchten als men onopzettelijk iemand had gedood: “vrijsteden”.

Steden voor de Levieten

In het begin van dit hoofdstuk komen we de uitdrukking “erfelijk bezit” tegen. God had zijn volk bezittingen gegeven die waren achtergebleven door de gedode of verdreven Kanaänieten. Het volk was van alle goederen rijkelijk voorzien. Het begon al toen ze uit Egypte vertrokken en hen van alles werd meegegeven. De buit op Midian behaald en nu wat achtergebleven was van de verdreven Kanaänieten.

Dit wordt uitdrukkelijk zo vermeld in

Deuteronomium 6 10 Wanneer het dan gebeuren zal dat de HEERE, uw God, u gebracht heeft in het land dat Hij uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft u te zullen geven – grote en goede steden, die u niet gebouwd hebt,

11 huizen, vol van allerlei kostbare dingen, waarmee u ze niet gevuld hebt, uitgehakte putten, die u niet uitgehakt hebt, en wijngaarden en olijfgaarden, die u niet geplant hebt en u gegeten hebt en verzadigd bent,

12 wees dan op uw hoede dat u de HEERE, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft, niet vergeet.

en

Deuteronomium 19:1  Wanneer de HEERE, uw God, de volken uitroeit waarvan de HEERE, uw God, u het land geeft, en u hun land in bezit neemt en in hun steden en in hun huizen woont.....

 

Deze huizen kwamen dus “in bezit” van de Israëlieten en ze vormden ook het “erfelijk bezit”. Maar het feit dat je iets “in bezit” hebt, betekent nog niet dat je er een “absoluut eigenaar” ervan bent. Psalm 24 begint met de woorden: De aarde is van de HEERE en al wat zij bevat, de wereld en wie er wonen.

 

Nu dan, als u nauwgezet Mijn stem gehoorzaamt en Mijn verbond in acht neemt, dan zult u uit alle volken Mijn persoonlijk eigendom zijn  סְגֻלָּה, want heel de aarde is van Mij.  Exodus 19:5
(סְגֻלָּה Strong 5459  skhoelah betekent zoiets als “kostbare schat”)

 

Zij zijn toch Uw volk en Uw eigendom נַחֲלָה  nakhalah , dat U met Uw grote kracht en met Uw uitgestrekte arm hebt uitgeleid!

 (נַחֲלָה Strong 5159 nakhalah betekent “eigendom”)

 

Er is verschil tussen “bezit” en “eigendom”.  Israël kon bezittingen hebben, maar die waren het “eigendom” van Hem die het in gebruik gaf. Maar Israël was “in het bezit ervan”.

 

Paulus zegt in 1 Korinthe 7:

29 Ik zeg dit, broeders en zusters, omdat er nog maar weinig tijd is. Als je getrouwd bent, laat dat dan niet het belangrijkste voor je zijn. 30 Als je verdriet hebt, geef daar dan niet te veel aan toe. Als je blij bent, vergeet dan niet alle andere dingen. Als je iets gekocht hebt, laat het dan niet te belangrijk voor je zijn. (statenvertaling: en die kopen, als “niet bezittende”) 31 Als je gebruik maakt van de dingen van deze wereld, laat je er dan niet door beïnvloeden. Want de wereld van nu zal niet lang meer bestaan. (Basisbijbel)

Israël moest dan ook van zijn eigen “bezittingen” afstand doen aan de Levieten, die zich volledig aan de dienst van JAHWEH moesten wijden, maar wel huizen en weiden nodig hadden voor hun levensonderhoud.

De Levieten hadden geen erfdeel in het land. Acht en veertig steden werden aan hen toegedeeld als woonplaatsen (Jozua 21), en daarbij weidegronden.

Jozua 21: 8 Zo gaven de Israëlieten door het lot deze steden met hun weidegronden aan de Levieten, zoals de HEERE door de dienst van Mozes geboden had.

Zes van deze Levietensteden moesten dienen als vrijsteden, Om vrij te zijn voor de dienst van de Heer, werden hun tienden gegeven, Dit lezen we in Numeri 18:1-32.  Zij ontvingen de tienden van veldvruchten en vee, en een schatting (heffing) van vijf sikkels van de mannelijke eerstgeborenen onder de mensen.

Numeri 18:24 want de tienden van de Israëlieten, die zij voor de HEERE als hefoffer moeten brengen, heb Ik de Levieten als erfelijk bezit gegeven. Daarom heb Ik tegen hen gezegd: Zij mogen in het midden van de Israëlieten geen erfelijk bezit ontvangen. Van alles moesten ze echter weer een tiende afstaan aan de priester, voor diens levensonderhoud.


VRIJSTEDEN

JAHWEH is een God van LEVEN. Wie dat leven aantast door moord verdient volgens de Tora de doodstraf. In Genesis 9:6 staat:

“Vergiet iemand het bloed van de mens, door de mens zal diens bloed vergoten worden; want naar het beeld van God heeft Hij de mens gemaakt. “

Er is verschil tussen doden en moorden. In de tien geboden vinden we het gebod: “gij zult niet doden”, maar een betere vertaling zou zijn “gij zult niet moorden”!

De Hebreeuwse zin die vertaald wordt met “niet doden” is “lo titzag” wat afgeleid is van het werkwoord רָצַח "ratsag" hetgeen, moorden betekent. Het kan zelfs een sluipmoord inhouden. De nieuwe Bijbelvertaling (2004) heeft wel “pleeg geen moord”

.

Het doden, bijvoorbeeld in een oorlog, is een noodzakelijk kwaad om het leven van het volk te verdedigen. Ook als oordeel van God moet dit soms plaatsvinden.

 

Maar het doden, ook al is dat in opdracht van God, maakte een mens wel onrein. Zo kon hij niet in de tabernakel/tempel komen. Want de dood past niet bij de heilige God. Doden, vereiste een speciaal reinigingsproces. Men moest zich laten reinigen met het reinigingswater van de “rode koe”:

We lazen dat bij de strijd tegen de Midianieten:

Numeri 31: 19 En u, sla uw kamp op buiten het kamp, zeven dagen lang. Ieder die een persoon gedood en ieder die een verslagene aangeraakt heeft, moet zich op de derde dag en op de zevende dag ontzondigen, u en uw gevangenen.

Doodstraf hoort niet bij onze cultuur. Maar zo was het van de oorsprong niet. Gods wetten zijn rechtvaardig en anders dan onze zogenaamde humane wetten. Maar Gods gedachten zijn ook anders dan onze gedachten. Alle daden van bloedvergieten moesten verzoend worden. Het land Israël is van God, geheiligd voor Zijn volk en wordt door het bloed verontreinigd. De aarde roept om wraak om al het bloed dat daar onrechtmatig gevloeid heeft. Al dat bloedvergieten wat door de eeuwen heen heeft plaatsgevonden, zal straks alsnog in het oordeel komen als Yeshua als rechter optreedt.

Verzoening bij de horens van het brandofferaltaar

In Numeri 35 wordt dit alles verder uitgewerkt. Er is verschil tussen opzettelijk en onopzettelijk doden. Ik denk dat dit verschil enkele nuances anders is dan het verschil tussen moord en doodslag. Er was een alternatief voor de doodstraf, namelijk verbanning, zodat iemand die onopzettelijk iemand gedood had, niet fysiek gedood hoefde te worden.

Toen Adam en Eva van de boom aten zouden ze sterven, maar ze werden verbannen uit de Hof van Eden. Toen Kaïn Abel had doodgeslagen had hij ook gedood moeten worden, maar hij werd door God weggestuurd uit zijn woongebied:

“u zult dolend en dwalend over de aarde gaan”. (Gen. 4:12)

 

Dood en verbanning zijn in de Schrift aan elkaar gelinkt. Degene die onopzettelijk iemand had gedood liep de kans om door een bloedwreker gedood te worden. Zo iemand kon vluchten naar een zogenaamde “vrijstad”. En dat was dus ook een soort verbanning. De dader kon niet meer in zijn eigen woongebied blijven. Tegelijk vond diegene daar bescherming.

Zes van de 48 Levietensteden moesten dienen als vrijsteden, toevluchtsoorden voor doodslagers die onopzettelijk hebben hadden gedood, Numeri 35: 1-8. De namen van de steden worden gegeven in Jozua 20: 7-9; 21: 1-42.

De vrijsteden lagen zodanig verspreid over het hele land, dat wáár de doodslager zich ook mocht bevinden, hij binnen

redelijk korte tijd één van deze steden kon bereiken:

 

De vrijsteden aan de westkant van de Jordaan waren (Joz. 20:7):


• Kedes in Galiléa, op het gebergte van Nafthali;
• Sichem, op het gebergte van Efraïm;
• Kirjath-arba, dit is Hebron, op het gebergte van Juda.

En aan oostzijde van de Jordaan (Joz. 20:8):
• Bezer in de woestijn, in het land van de hoogvlakte, voor de stam van Ruben; Deut. 4:43.
• Ramoth in Gilead, voor de stam van Gad; Deut. 4:43.
• Golan in Basan, voor de stam van Manasse; Deut. 4:43.

 

Maar dan is er ook de verzoening. De dader in ballingschap moest in de vrijstad blijven totdat de Hogepriester was gestorven. En dat verwijst weer naar het vernieuwde verbond, waar wij verzoening verkrijgen door de dood van onze Hogepriester die met Zijn eigen bloed heil en redding bewerkt. Dit is een beeld van hoe wij IN de Hogepriester Messias Yeshua moeten blijven om
eeuwig leven te ontvangen!

 

Het beeld van vrijspraak van de doodstraf komt heel mooi uit in de centrale as van de chiastische structuur, die ik zag in de studie Mattot/Masei van Tony Robinson. Het is een structuur die God zelf in de Bijbel heeft gelegd. De focus van dit gedeelte ligt op de onopzettelijke zonde waarvoor door de dood van de aardse hogepriester verzoening werd bewerkt. Heel het aardse priesterschap, met offers om te naderen en verzoening te bewerken, is een afbeelding van de verlossing door de grote Hogepriester van het Nieuwe Verbond.

 

Hieronder nog even het tekstgedeelte dat in de centrale as verkort is weergegeven met “Bepalingen voor verbanning van de onopzettelijke doder “ – dit zijn die bepalingen:

 

Numeri 35:22-28

22 Maar als hij hem onverwachts zonder vijandschap een duw gegeven heeft, of zonder opzet welk voorwerp dan ook naar hem toe gegooid heeft,
23 of zonder het te zien een of andere steen, waardoor men zou kunnen sterven, op hem heeft laten vallen, zodat hij stierf, terwijl hij geen vijand van hem was en niet zijn onheil zocht,
24 dan moet de gemeenschap overeenkomstig deze bepalingen oordelen tussen hem die een doodslag begaan heeft, en de bloedwreker.
25 De gemeenschap moet hem die een doodslag begaan heeft, redden uit de hand van de bloedwreker, en de gemeenschap moet hem laten terugkeren naar zijn vrijstad, waarheen hij gevlucht was. Dan moet hij daar blijven tot de dood van de hogepriester, die men met de heilige olie gezalfd heeft.
26 Maar als hij die een doodslag begaan heeft, de grens van zijn vrijstad, waarheen hij gevlucht was, ook maar even overschrijdt,
27 en de bloedwreker vindt hem buiten de grens van zijn vrijstad, dan mag de bloedwreker hem die een doodslag begaan heeft, doden; dan is het voor hem geen bloedschuld.
28 Want hij die een doodslag begaan heeft, had in zijn vrijstad moeten blijven tot de dood van de hogepriester; pas na de dood van de hogepriester mag hij terugkeren naar het land dat hij bezit.

In het laatste hoofdstuk van Numeri komen we weer de dochters van Zelafead tegen. Ze komen nu niet zelf bij Mozes, zoals in hoofdstuk 27, maar nu zijn het de mannen van de stam Manasse, waartoe Zelafead behoorde. Ook zij zijn bang dat het erfdeel van Zelafead  zou afgaan van het gebied dat zij als stam bij  verloting hebben gekregen als die dochters met iemand trouwen die niet uit de stam Manasse is. Dit probleem was al door de dochters zelf met Mozes besproken. Als Machla, Tirza, en Hogla, Milka en Noa, de dochters van Zelafead, binnen de stam Manasse zouden trouwen, zou het erfdeel voor de stam behouden blijven. 
Numeri 36:10 Zoals deHEEREMozes geboden had, zo deden de dochters van Zelafead. Zie het onderwerp "de dochters van Zelafead".