English & other languages: click here!
Openbaring 2b - de brief aan Smyrna
Smyrna, nu bekend als İzmir in Turkije, was een belangrijke stad in Klein-Azië en een centrum van handel, cultuur en godsdienstigheid in Bijbelse tijden. De stad lag aan de westkust van het huidige Turkije, aan de Egeïsche Zee, en was een van de grootste havens in de regio, na Efeze. Bekend om haar prachtige haven, de 'Gouden Straat' en een van de grootste theaters en bibliotheken van Azië, werd Smyrna vaak omschreven als het 'sieraad van Klein-Azië'. De gemeente in de stad is wellicht ontstaan tijdens Paulus’ tweejarige bediening in Efeze, toen ‘allen die in Asia woonden, het Woord van de Heere Jezus hoorden, zowel Joden als Grieken.’ (Handelingen 19:10).
De naam Smyrna is afgeleid van mirre, een plant met een bittere smaak, maar die fijngemalen een heerlijke geur verspreidt. De stad had een sterke band met Rome, waaronder een tempel voor de godin Roma, en was een centrum van keizercultus. De christelijke gemeente leefde in een omgeving van politieke en religieuze spanningen. Bekende martelaren zoals Polycarpus, de bisschop van Smyrna, een leerling van Johannes, stierven in de tweede eeuw n.Chr. door verbranding omdat ze de keizer niet als Heer erkenden. Het moet voor de gemeente in Smyrna een grote troost zijn geweest te lezen dat hun Heere en Heiland hun vervolging, hun armoede en de laster die ze ondergingen, kende. Yeshua heeft geen enkele klacht over Smyrna.
Openbaring 2:8-11 - de brief aan Smyrna
De zeven gemeenten staan symbool voor alle gemeenten over de hele wereld. Daarom staat aan het eind van elke brief ‘die oren heeft, die hore wat de Geest tot de gemeenten zegt’. Iedereen moet opmerkzaam zijn op het onderwijs van de Heilige Geest. Daarom hebben deze zeven brieven ook nu nog steeds gezag.
In de brieven keren verschillende dingen steeds terug:
- Een beschrijving van Christus
- Een lofprijzing
- Een klacht
- Een opdracht
- Een dreiging van een oordeel
- Een belofte (Bron: BMU)
In de brieven aan Smyrna en Filadélfia ontbreken de klacht en het oordeel. In de brief aan Laodicéa ontbreekt de lofprijzing
Openbaring 2:8-11
8. En schrijf aan de engel van de gemeente in Smyrna: Dit zegt de Eerste en de Laatste, Die dood is geweest en weer levend is geworden:
9. Ik ken uw werken, verdrukking en armoede – u bent echter rijk – en Ik ken de lastering van hen die zeggen dat zij Joden zijn, maar het niet zijn; zij zijn namelijk een synagoge van de satan.
10. Wees niet bevreesd voor wat u lijden zult. Zie, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen, opdat u verzocht wordt. En u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees trouw tot in de dood, en Ik zal u de kroon van het leven geven.
11. Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint, zal zeker geen schade toegebracht worden door de tweede dood.
Schrijf aan de engel van de gemeente in Smyrna:........... na de gebruikelijke aanhef van elke brief, waarin Yeshua zich bekend maakt als God, die de Eerste en de Laatste is........ introduceert Hij zich zelf als Degene die dood geweest is en weer levend is geworden. Met andere woorden: Hij is Degene die weet wat lijden is, maar Die ook de Overwinnaar van dood en lijden is. Hij vereenzelvigt zich met de gemeente van Smyrna als een bemoediging. "De Eerste en de Laatste" is woordelijk dezelfde bemoediging die YAHWEH tot Jakob (Israël) sprak in Jesaja 48:12, nadat Israël een pijnlijk proces van loutering had doorgemaakt. Yeshua weet dat Smyrna ook zo'n proces doormaakt. Daarom zegt Hij "Ik ken uw werken, verdrukking en armoede". In deze door de satan bestuurde wereld komen de kinderen van Gods Koninkrijk in conflict met hen die de wereld liefhebben. En dat was in die afgodische stad Smyrna bijzonder sterk merkbaar. Maar Yeshua weet dat, het is niet aan Zijn aandacht voorbij gegaan. Hoe zou zoiets aan zijn aandacht voorbij gaan? Het gaat Hem aan het hart.
U bent echter rijk...... Hiermee wordt geen rijkdom aan aardse goederen of geld bedoeld. Degenen die lijden omwille van Gods Naam zijn rijk in hun God. Ze hebben een zuiver geweten omdat ze niet gebogen hebben voor de leugens van satan.
Ze hebben de vrede van God, die alle begrip te boven gaat, die zal hun harten en uw gedachten bewaken in Christus Jezus (Filippenzen 4:7). Dat is grotere rijkdom dan geld, zilver of goud. Ze hebben een eeuwige heerlijke toekomst! Yeshua heeft volgehouden om de vreugde die Hem in het vooruitzicht was gesteld (Hebreeën 12:2).
Ik ken de lastering van hen die zeggen dat zij Joden zijn, maar het niet zijn......... dit kan op meerdere manieren bedoeld zijn:
- Deze mensen zijn misschien wel Joods in etnische zin – wat nog steeds zijn plaats heeft voor God – maar ze zijn geen Joden in geestelijke zin voor God. Het is mogelijk dat er een grote en vijandige Joods Judaïstische gemeenschap in Smyrna was, die hen vijandig gezind was. Dat zou een een synagoge van de satan kunnen zijn omdat zij niet naar de Geest van Yeshua leven.
- Edomieten werden gedwongen om zich tot het jodendom te bekeren tijdens de veldtochten van Johannes Hyrkanus (135–104 v.Chr.), een Hasmoneeërische leider, als onderdeel van een strategie om zijn koninkrijk uit te breiden en te versterken. Volgens de historicus Flavius Josephus en andere bronnen had Hyrkanus na de verzwakking van het Seleucidische rijk de mogelijkheid om buiten Judea te opereren. Hij veroverde het gebied van de Idumeërs (Edomieten) en stelde hen voor een keuze: bekeer tot het jodendom of word verdreven of vernietigd. Zo is het Jodendom vermengd. De Edomieten, als nageslacht van Ezau → Amalek, waren heel vijandig naar Jakobs nageslacht en begeren nog altijd de zegen die Jakob kreeg.
- In de achtste eeuw bekeerden de Khazaren zich tot het Babylonisch Talmoedische Jodendom. Ook de Asjkenazische Joden zijn geen Semieten, want ze stammen af van Noach → Jafet→ Gomer → Askenaz (Genesis 10:1-3).
Het basisprincipe waaraan dit moet worden afgemeten is wat Paulus schrijft in Romeinen 2:29 maar híj is Jood die het in het verborgene is, en dát is besnijdenis, die van het hart is, naar de geest, niet naar de letter. Zijn lof is niet uit mensen maar uit God.
Van zulke Joden zal de gemeente van Smyrna geen lastering hebben ondervonden.
Wees niet bevreesd voor wat u lijden zult....... niet bevreesd zijn? Gelovigen zijn geen supermensen. Ze hebben ook angsten. Maar ze willen pal staan voor Hem die ons met Zijn bloed, Zijn leven bevrijd heeft van onze zondige natuur. Ook Hij had angst in Getsemané. MaarYeshua heeft die angst doorstaan, terwijl de discipelen sliepen, werd Hij gesteund door een engel. God zal ook degenen die voor Hem lijden steunen. Hij is bij hen.
Zie, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen, opdat u verzocht wordt...... we zien dat satan de gelovige wil doen struikelen.
Hij wil onze houding, onze wil breken, zodat we met Yeshua breken. Dat is verzoeking. Tegelijk is het een beproeving van de echtheid van het geloof. Yeshua weet hoe zwaar dat is. Maar Hij zal bij de verrzoeking ook voor de uitkomst zorgen. (1 Korinthe 10:13). Hier geeft Yeshua de belofte dat wat er dreigt te komen, niet langer dan tien dagen zal duren. Zo wordt het lijden door Hem ingekort (Mattheüs 24:22), opdat Zijn kinderen niet zullen bezwijken.
Wees trouw tot in de dood, en Ik zal u de kroon van het leven geven........ er wordt een kroon in het vooruitzicht gesteld. Een kroon heeft te maken met regeren, de belofte is er dat er kroon is voor wie standvastig is in verzoeking en lijden. Het betekent: met Christus regeren in Zijn Koninkrijk. De apostelen kenden ook vervolging en verdrukking en op Johannes na, zijn ze allemaal een onnatuurlijke dood gestorven. Paulus heeft in het achtste hoofdstuk van Romeinen beschreven dat het lijden van deze tijd maar een korte tijd is in verhouding tot de eeuwige heerlijkheid die ons te wachten staat, dat gaf hem en zijn medeapostelen de moed om stand te houden. Daarmee bemoedigt Yeshua in deze brief de gelovigen in Smyrna en met hen de gelovigen in de hele wereld en van alle tijden die hetzelfde lijden ondervinden,
Romeinen 8:18 en 35-39
18. Want ik ben ervan overtuigd dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid die aan ons geopenbaard zal worden.
35. Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard?
36. Zoals geschreven staat: Want omwille van U worden wij de hele dag gedood, wij worden beschouwd als slachtschapen.
37. Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad.
38. Want ik ben ervan overtuigd dat noch dood, noch leven, noch engelen, noch overheden, noch krachten, noch tegenwoordige, noch toekomstige dingen,
39. noch hoogte, noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus, onze Heere.
Wie oren heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt.......
Zie ook 2 Korinthe 4:17 en 1 Petrus 5:10-11. Het is goed om dit ons te realiseren nu de komst van de antichrist en de grote verdrukking voor de deur staan. Dat wat Yeshua aan Smyrna heeft bekend gemaakt, geldt ook voor onze tijd.
Wie overwint, zal zeker geen schade toegebracht worden door de tweede dood........ Wie volhardt gaat na zijn dood Gods heerlijkheid binnen. Zij zijn degenen die in het Boek van het Leven geschreven staan. Maar hen die God afwijzen blijven in het graf tot het einde van het duizendjarig Vrederijk. Daarna staan ze op en komen voor de Witte Troon. Ze worden geoordeeld door God. De één zal het zwaarder te verduren krijgen in de hel dan de ander. Ze worden met satan in de poel van vuur geworpen en dat is de tweede dood: de eeuwige dood.
- Jesaja 41:10 – “Vrees niet, Ik ben met u.”
- Daniël 3 & 6 – De getrouwen die liever lijden dan buigen.
- Psalm 116:15 – “Kostbaar is in de ogen van de HEER de dood van Zijn gunstelingen.”
Het lijden en de trouw van Smyrna is een beeld van het getrouwe overblijfsel van Isfraël.
Smyrna belichaamt het overblijfsel‑motief: klein, verdrukt, maar kostbaar en trouw.
Polycarpus
Polycarpus betekent: 'veel vruchten' of 'vruchtbaar'
In deze tijd werd ook in de stad Smyrna gevangen genomen Polycarpus, een leerling van de Apostel Johannes, die Johannes zelf het woord had horen verkondigen, en die met hen had omgegaan, die de Heere Christus hadden gezien, en door Johannes was aangesteld tot een opziener van de gemeente der genoemde stad Smyrna.
De stadhouder Filippus vermaande hem, dat hij, zijn ouderdom in aanmerking nemende, zou zweren bij de goden des keizers en Christus vloeken. Met grote vrijmoedigheid antwoordde hij echter: “Zes en tachtig jaren heb ik mijn Heere Christus gediend, en hij heeft mij nimmer enig kwaad gedaan; hoe zou ik mijn Koning kunnen vloeken, die mij behouden heeft?” Toen de stadhouder hem dreigde met de wilde dieren, als hij van zijn voornemen geen afstand deed en zich bekeerde, antwoordde Polycarpus: laat hen voorkomen, want mijn besluit is onveranderlijk, wij kunnen ons door bedreigingen niet bekeren van het goede, tot het kwade, beter ware het, dat zij zich tot het goede bekeerden, die in hun boosheid volharden.”
Vervolgens zei de stadhouder: houdt gij nog vol? Als gij de wilde dieren veracht, zal ik u door vuur laten verbranden.” “Gij dreigt mij met vuur,” dus hernam Polycarpus, “dat in een ogenblik ontstoken en weer uitgeblust wordt, want gij weet niet van het eeuwige vuur, dat de bozen treffen zal in de dag des oordeels. Wat vertoeft u nog? Doe aan mij, wat gij van beide goedvindt.”
Toen nu het volk zijn dood eiste, werd hij door de stadhouder overgeleverd om verbrand te worden. Als nu het hout van alle kanten voor de brandstapel was aangebracht, waarbij vooral de Joden, volgens hun gewoonte zich beijverden, en men hem met nagels aan een paal wilde hechten, zei hij: laat mij zoals ik ben. Die mij kracht gegeven heeft om de pijn van het vuur te verdragen, zal mij ook helpen om op deze brandstapel te blijven. Daarop werd hij slechts gebonden. Toen hij met vrijmoedigheid tot God gebeden had en het vuur hem niet deerde, aangezien dit, tot ieders verwondering, onder en rondom hem uitbarstte, zonder hem nochtans te verteren, werd hij eindelijk doorstoken, waarbij het bloed zo overvloedig uit zijn lichaam vloeide, dat het vuur daardoor werd uitgedoofd.
(Bron: De Woeste Weg)
Ida