English & other languages: click here!

Openbaring 7 - de 144.000 en heerlijkheid na verdrukking

Openbaring 7 fungeert als een pauze tussen de gebeurtenissen van hoofdstuk 6 en hoofdstuk 8, en tussen de eerste zes zegels en het zevende zegel dat in hoofdstuk 8 aan de orde komt. Deze tussentijd die in de indeling van het boek Openbaring wordt beschreven is een tijd van verfrissing voor de hoorders en lezers, waarin God hen bemoedigt. Dit voordat de finale wordt voorbereid en aangekondigd. In vers 1-8 laat God zien hoe Hij Zijn volk zal bewaren:

144.000 verzegelden afkomstig uit de twaalf stammen van Israël (12.000 per stam) worden uitgezonderd en beschermd op aarde.

Een ontelbare schare uit alle volken, (vers 9–17) die uit de grote verdrukking komen, wordt voor de troon van God gebracht. Ze komen uit alle volken, stammen, talen en naties.    

Ze staan voor Gods troon en voor het Lam, gekleed in witte gewaden en met palmtakken in hun handen.

Ze roepen dat de redding van God en van het Lam komt.
Eén van de oudsten legt uit dat deze mensen: hun gewaden hebben gewassen in het bloed van het Lam (beeld van verlossing), ze mogen

nu voor altijd bij God zijn, waar geen honger, dorst, hitte of tranen meer zullen zijn.
Het Lam zal hen weiden en naar bronnen van levend water leiden.

1. De verzegeling van de 144.000

Openbaring 7:1-3
1. Hierna zag ik vier engelen staan op de vier hoeken van de aarde. Zij hielden de vier winden van de aarde tegen, opdat er geen wind zou waaien op de aarde, of op de zee of tegen enige boom.
2. En ik zag een andere engel opkomen vanwaar de zon opgaat, met het zegel van de levende God. En hij riep met luide stem tegen de vier engelen aan wie het gegeven was de aarde en de zee schade toe te brengen,
3. en zei: Breng geen schade toe aan de aarde, en ook niet aan de zee en de bomen, totdat wij de dienaren van onze God aan hun voorhoofd verzegeld hebben.

Het eerste woord van dit hoofdstuk is "hierna". Hiermee wordt niet bedoeld om iets wat gaat gebeuren na wat het vorige hoofdstuk beschreef, maar het betekent dat dit het volgende tafereel is wat Johannes te zien krijgt.  

Ik zag vier engelen staan op de vier hoeken van de aarde. Zij hielden de vier winden van de aarde tegen....... zij zorgen dus voor bescherming van hen die tot Gods volk behoren.

Jeremia noemt deze winden eveneens als hij over Elam (nu Iran) zijn oordeel uitspreekt (Jeremia 49:34-39). En dat heeft te maken met Gods brandende toorn! En in Daniël 7:2 zien we dat de  vier winden van de hemel de grote (volkeren)zee opzwepen.

Het verzegelen van de Israëlieten.

 

Openbaring 7 tekent ons de aarde met op “de vier hoeken” (= de vier windstreken)  een engel. Deze vier engelen houden de wind uit vier richtingen tegen: het oosten, het westen-, het noorden- en het zuiden. Het gaat om de hele wereld.  In de profetie betekenen winden de oorlogen tussen de naties (Daniël 7:2). God kan winden gebruiken om Zijn oordelen uit te voeren (Jeremia 51:1). De bedoeling hiervan is bescherming te bieden aan degenen die verzegeld zijn, terwijl de plagen van het zesde zegel losbreken. Hetzelfde zien we geprofeteerd in Ezechiël 9:4 waar de mannen een merkteken op hun hoofd kregen.

Zoals Habakuk indertijd bad om Gods ontferming in de tijd van de toorn. Habakuk 3:2

Hierna zag Johannes in zijn visioen vijf andere engelen.

En ik zag een andere engel opkomen vanwaar de zon opgaat, met het zegel van de levende God.

Eén engel die komt van de kant waar de zon opgaat, n.l. het oosten, die,  omdat Hij van het oosten komt, mogelijk de Engel met een hoofdletter is, namelijk Yeshua, die de vier andere engelen beveelt:

Breng geen schade toe aan de aarde, en ook niet aan de zee en de bomen, totdat wij de dienaren van onze God aan hun voorhoofd verzegeld hebben. Openbaring 7:3

Het zegel van de levende God is de Naam van God. Zie Openbaring 14:1.

De winden zouden verwoesting kunnen aanrichten, maar worden tegengehouden door de engelen die onder Gods gezag staan. Niet de winden, maar de engelen zijn degenen die op gezag van God verwoesting toelaten.

Openbaring 7:5-8
5. Uit de stam Juda waren er twaalfduizend verzegeld, uit de stam Ruben waren er twaalfduizend verzegeld, uit de stam Gad waren er twaalfduizend verzegeld,
6. uit de stam Aser waren er twaalfduizend verzegeld, uit de stam Naftali waren er twaalfduizend verzegeld, uit de stam Manasse waren er twaalfduizend verzegeld,
7. uit de stam Simeon waren er twaalfduizend verzegeld, uit de stam Levi waren er twaalfduizend verzegeld, uit de stam Issaschar waren er twaalfduizend verzegeld,
8. uit de stam Zebulon waren er twaalfduizend verzegeld, uit de stam Jozef waren er twaalfduizend verzegeld, en uit de stam Benjamin waren er twaalfduizend verzegeld.

De 144.000 uit de stammen van Israël.

We zien in de verzen 5 tot en met 8 dat ze uit alle stammen van Israël zijn geselecteerd.

In de tijd van Elia bemoedigde God de profeet door te zeggen: “Ik zal in Israël zevenduizend overlaten, alle knieën die zich niet gebogen hebben voor Baal” 1 Kon. 19:18.

God zal er in deze eindtijd voor zorgen dat er 70 maal 7.000  (en dat is 144.000) uit Israël zijn die Hem trouw zijn gebleven en die het Woord van God gaan prediken in de wereld, overeenkomstig de bedoeling die God van oorsprong met Israël had. Die oorspronkelijke opdracht lezen we in onderstaande teksten.

Neem ze (de verordeningen) in acht en doe ze; want dat zal uw wijsheid en uw inzicht zijn voor de ogen van de volken, die al deze verordeningen horen zullen en zullen zeggen: Werkelijk, dit grote volk is een wijs en verstandig volk! Deuteronomium 4:6

Hij zei: Het is te gering dat U voor Mij een Knecht zou zijn om op te richten de stammen van Jakob en om hen die van Israël gespaard werden, terug te brengen. Ik heb U ook gegeven TOT EEN LICHT VOOR DE HEIDENVOLKEN, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde. Jesaja 49:6

“En Jezus, bij hen komende, sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. En heengaande, maakt al de volken tot discipelen, hen dopende in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest; 20 lerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb. En ziet, Ik ben met u al de dagen tot de voleinding van de wereld.” Mattheüs 28:18-20

We moeten de teksten over de 144.000 letterlijk nemen. Deze komen uit de 12 stammen van Israël, dat is er duidelijk bij vermeld.

De stammen Dan en Efraïm worden niet genoemd. In plaats van Efraïm wel Manasse en Jozef. Het niet noemen van Dan en Efraïm zou verband kunnen hebben met het dienen van afgoden. (Deut. 29:18-21; 1 Kon. 12:25-30; Richteren 18:30)

Ezechiël profeteerde al over dit rechtvaardig overblijfsel”:

Ezechiël 9:4-6 En de HEERE zei tegen Hem: Trek midden door de stad, midden door Jeruzalem, en zet een merkteken op de voorhoofden van de mannen die zuchten en kermen over al de gruweldaden die in het midden ervan gedaan worden. Maar tegen die andere mannen zei Hij ten aanhoren van mij: Trek achter Hem aan door de stad, en dood! Ontzie niemand en heb geen medelijden. Dood ouderen, jongemannen en meisjes, kleine kinderen en vrouwen, om hen te gronde te richten. Raak echter niemand aan op wie het merkteken is. Begin vanuit Mijn heiligdom. Toen begonnen zij bij de oudere mannen die zich vóór het huis bevonden.

וְהִתְוִיתָ תָּו עַל-מִצְחוֹת הָאֲנָשִׁים

En een TAV op de voorhoofden van mannen

De alev(ossekop) en de tav (kruisje) in het oude Paleo Hebreeuwse schrift.

 

In het Hebreeuws staat duidelijk omschreven dat dit merkteken de letter ת “tav” is.

De “tav” is de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet.

Zoals wij het over van “a tot z” hebben, is het in het Hebreeuws “alef en tav” In het Grieks is het de “alfa en omega” waarvan Yeshua in Openbaring 1:8 zegt:

 “Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, zegt de Heere, Die is en Die was en Die komt, de Almachtige.”

In de Bijbel staat heel vaak de combinatie את “alef en tav”. Dat begint al in de eerste zin van Genesis. Het zijn steeds verwijzingen naar Yeshua. In de tijd dat het boek Ezechiël werd geschreven werd de letter tav als een kruisje geschreven. Deze mensen worden dus verzegeld met een kruis “aan hun voorhoofden”.

Het teken van de “tav” kan heel goed geestelijk zijn bedoeld. In Openbaring 7 wordt niet vermeld hoe dit teken er uit ziet. Bovemdien heeft de letter tav de betekenis van de letter T, de laatste letter van het Hbreeuwse alfabet. In het Griekstalige nieuwe testament is de laatste letter van het alfabet: de omega. De tav, als deel van de titel van Yeshua: “Alef en Tav”, staat dan voor de uiteindelijke bestemming, de waarheid en het oordeel. Dit alles zal volledig onthuld worden in het laatste stadium van de komst van de Messias. Degene die het doodsoordeel uitvoert zal onmiskenbaar weten dat hij van de verzegelde af moet blijven.

In Micha 5:6 zien we ook een profetie over dit gebeuren: 

Micha 5:6 Het overblijfsel van Jakob zal zijn te midden van vele volken als dauw van de HEERE, als regendruppels op het gewas, dat niet uitziet naar iemand en niet hoopt op mensenkinderen.

Het is de late regen.

Omdat Jakob in laatst genoemde tekst genoemd wordt,  kunnen we ervan uitgaan dat alle twaalf stammen, de nakomelingen van Jakobs twaalf zonen hierin vertegenwoordigd zijn. Maar het is wel een overblijfsel.

Ze hebben dezelfde instelling als Daniël en zijn vrienden:  Sadrach, Mesach en Azarja of anders met hun Hebreeuwse namen genoemd: Hananja, Misaël en Azarja.

 De grote menigte voor de troon

Openbaring 7:9-10
9. Hierna zag ik en zie, een grote menigte, die niemand tellen kon, uit alle naties, stammen, volken en talen, stond vóór de troon en vóór het Lam, bekleed met witte gewaden en palmtakken in hun hand.
10. En zij riepen met een luide stem: De zaligheid is van onze God, Die op de troon zit, en van het Lam!

Ze staan voor Gods troon op aarde met witte kleding en palmtakken in hun handen.

De “lulav” – gemaakt van takken van palmen en twijgen van loofbomen en van beekwilgen (Lev. 23:40) - van het  Loofhuttenfeest zou je kunnen vergelijken met deze palmtakken uit Openbaring 7.

Dan klinkt het uitbundig gezongen lied: “De zaligheid is van onze God, Die op de troon zit, en van het Lam!”  (Openbaring 7:10)

De hemel breekt uit in heerlijke lof en aanbidding nu deze overwinnaars daar staan in hun witte gewaden. De 'witte gewaden' betekenen hemelse heerlijkheid, verkregen door het witwassen in het bloed van Yeshua (vers 14). Verdrukking leidt tot heerlijkheid!

Openbaring 7:11-12
11. En alle engelen stonden rondom de troon, de ouderlingen en de vier dieren. Zij wierpen zich vóór de troon neer met hun gezicht ter aarde en aanbaden God,
en zeiden: Amen. De lofprijzing, de heerlijkheid, de wijsheid, de dankzegging, de eer, de kracht en de sterkte is aan onze God tot in alle eeuwigheid. Amen.

Dan klinkt die prachtige lofzang en zoals steeds samen met de vier cherubs, die worden aangevuld met de oudsten, voorover gebogen op de grond, overweldigd door de grote daden van God en de heerlijkheid die voor ogen is. Het Amen komt van harte gemeend uit het diepst van de ziel.  Ze roepen het uit: "De zaligheid is van onze God, Die op de troon zit, en van het Lam!"

De grote menigte voor de troon

Openbaring 7:13-17
13. En een van de ouderlingen antwoordde en zei tegen mij: Dezen, die bekleed zijn met witte gewaden, wie zijn zij en waar zijn zij vandaan gekomen?
14. En ik zei tegen hem: U weet het, mijn heer. En hij zei tegen mij: Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun gewaden gewassen en ze hebben hun gewaden wit gemaakt in het bloed van het Lam.
15. Daarom zijn zij vóór de troon van God, en dienen Hem dag en nacht in Zijn tempel. En Hij Die op de troon zit, zal Zijn tent over hen uitspreiden.
16. Zij zullen geen honger of dorst meer hebben, en geen zonnesteek of enige hitte zal hen treffen.
17. Want het Lam, Dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en zal hen geleiden naar de levende waterbronnen. En God zal alle tranen van hun ogen afwissen.

Johannes is in zijn visioen helemaal in dit tafereel opgenomen, als één van de ouderlingen uit de hemel hem aanspreekt. Hij vraagt of Johannes weet wie die mensen in witte gewaden zijn en waar ze vandaan zijn gekomen. Als Johannes dan te kennen geeft dat die ouderling dat beter zal weten, vervolgt de ouderling dan ook wat we al gelezen hadden, dat het de mensen zijn die staande gebleven zijn in de grote verdrukking en hun gewaden gewassen hebben in het bloed van het Lam. Deze grote schare is dus door de grote verdrukking gegaan. Ook dit ontkracht weer de opnameleer.

Omdat ze schoongewassen zijn door het bloed van het Lam zijn zij waardig om vóór de troon van God te zijn en Hem te dienen. Ze hebben het voorrecht om in Zijn onmiddellijke tegenwoordigheid te zijn. Ze mogen deel hebben aan de kostelijke beloften, waarmee God aan hen Zijn grote liefde betoont:

Zijn tent over hen uitspreiden

Ik ken geen Grieks maar via interlinear vertalingen en de Strong concordantie valt er best iets uit te zoeken. Het Griekse woord voor “de tent uitspreiden” is “skenoo”. In het Engels wordt het vertaald als “to tabernacle”.  Zie Strong G4637 en G4638. Het betekent zowel het opslaan van een tent als het wonen in een tent. Het betekent "bij ons wonen".  We zien hier dus het toekomstige, maar vanouds bekende concept dat YAHWEH bij de mensen wil wonen.  Dit Griekse woord “skenoo” is gelijk aan het Hebreeuwse werkwoord “shakan”  שָׁכַן  = wonen. Het woord waarvan de Shekina is afgeleid, de wolk waarin YAHWEH Zijn aanwezigheid gestalte gaf. In Hem drukt het dan gemeenschap en intimiteit uit.

Openbaring 21:3 En ik hoorde een luide stem uit de hemel zeggen: Zie, de tent van God is bij de mensen en HIJ ZAL BIJ HEN WONEN, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn en hun God zijn.

Het uitspreiden van de tent betekent veiligheid, gemeenschap en intimiteit. De Statenvertaling zegt “Die op den troon zit, zal hen overschaduwen.”

Hoe verdrietig was het toen Gods volk Yeshua verwierp, dat Hij zo graag als een hen onder Zijn vleugels bijeen wilde brengen. Maar toen wilden ze/we niet (Mattheüs 23:37). Maar God komt tot Zijn doel met hen! 

Het wonen in een tent of een loofhut is in het Grieks dus “skenoo”. In een tent wonen betekent in deze bedeling dan een tijdelijk verblijf. Maar de tent die God over ons uitspreidt is eeuwig en niet onderhevig aan verval of aan kwaadaardige invloeden van buitenaf.

Het uitspreiden van Gods tent over de gemeente gaat, zoals de ouderling tot Johannes zegt, gepaard met het weiden van de gemeente door het Lam Dat in het midden van de troon is.  

Het tabernakelen van YAHWEH in de gemeente is verbonden met het voeren naar waterbronnen des levens. In gemeenschap met God en het Lam wordt iedere honger gestild en elke dorst gelest. Door de overschaduwing van God en de leiding van Yeshua zullen zon en hitte - hier beeld van verdrukking en lijden - de gemeente niet beschadigen. Het is allemaal met elkaar één groot wonder van liefde, genade en heil.

De lofprijzing, de heerlijkheid, de wijsheid,

de dankzegging, de eer,

de kracht en de sterkte is aan onze God

tot in alle eeuwigheid.

Amen.