Numeri 25-30 Pinehas Israël & Strijd

Strijd en erfdeel & Wie is Israël?

Dit is een deelweergave van een uitzending van Radio Israël over Parasha Pinehas . (Begin bij 16 min.) Ik was getroffen door de uitleg van de naam Israël. Dat wilde ik vastleggen en doorgeven.  Het is een beetje meer geworden.

Psalm 140:2 Red mij, HEERE, van slechte mensen. Bescherm mij tegen de mannen van geweld, 3 die veel kwaad in hun hart bedenken,  elke dag samenscholen om te strijden. 4 Zij scherpen hun tong als een slang, addervergif is onder hun lippen. Sela

5 Bewaar mij, HEERE, voor de handen van de goddeloze. Bescherm mij tegen mannen van geweld, die mijn voeten

denken weg te stoten. 6  De hoogmoedigen verborgen een strik voor mij en touwen.  Zij spanden een net langs de weg, valstrikken zetten zij voor mij. Sela  7 Ik heb tegen de HEERE gezegd: U bent mijn God, neem, HEERE, mijn luide smeekbeden ter ore. 8 HEERE Heere, kracht van mijn heil, U hebt mijn hoofd beschut op de dag van de strijd. 9 HEERE, vervul de wensen van de goddeloze niet, laat zijn boze plannen niet lukken; zij zouden zich trots verheffen. Sela

Van David wordt gezegd dat hij een krijgsman is, een man van veel oorlogen:

1 Kron. 28:3 Maar God heeft tot mij gezegd: Gij moogt voor mijn naam geen huis bouwen, want gij zijt een krijgsman en gij hebt bloed vergoten.

De Here is eveneens een strijder een krijgsman. Nadat Farao is omgekomen zingen Mozes en Mirjam aan de Schelfzee:

Exodus 15:3 De Here is een Krijgsman 3 De HEERE is een Strijder, HEERE is Zijn Naam.  

In het Hebreeuws: Jehova ish milgamah, Jehova shemo יְהוָה שְׁמוֹ  יְהוָה, אִישׁ מִלְחָמָה;

Het altaar dat Mozes even later bouwde geeft hij de naam: “de Here is mijn banier” en hij zei:

Exodus 17: 16 Hij zei: Voorzeker, de hand op de troon van de HEERE! De strijd van de HEERE zal tegen Amalek zijn, van generatie op generatie!

Zolang er strijd is tegen Zijn koningschap hebben wij zijn oorlogen te voeren. Daar waar mensen, Amalekieten of anderen, afdoen aan Zijn heerlijkheid , Zijn eer, Zijn heiligheid en majesteit, Zijn scheppings-, Zijn verlossingswerk, is er de goede strijd te strijden.  Zoek medestrijders die het niet verdragen dat de scepter van de goddeloosheid op het erfdeel van de Here zal blijven rusten: Zijn volk, Zijn erfdeel. Het is aan ons om te strijden en te zeggen: “ geef terug!” Het behoort de Here der Heerscharen toe.

De Naam Israël 

Jacob was zo’n strijder, die door en in de strijd Gods Naam leerde kennen en zo een zegen verwierf.

Genesis 32:28 Uw naam zal voortaan niet meer Jakob luiden, maar Israël, want u hebt met God en met mensen gestreden, en hebt overwonnen.29 Jakob vroeg daarop: Vertel mij toch Uw Naam. En Hij zei: Waarom vraagt u naar Mijn Naam? En Hij zegende hem daar.

De naam Istaël betekent “strijder Gods”  en “Vorst van God”. Die nieuwe naam ontvangt Jacob van de gezondene van de Heer, die opnieuw in de Bijbel  de Messias Zelf blijkt te zijn. Bovendien bevestigt de Eeuwige Zelf dat Hij Jacob Israël zal gaan noemen. Zo lezen we, als Jacob een altaar opricht in Bethel:

Genesis 35:10 God zei toen tegen hem: Uw naam is Jakob, maar uw naam zal voortaan niet meer Jakob luiden, maar Israël zal uw naam zijn; en Hij gaf hem de naam Israël.

 

Wanneer ik u de vraag zou stellen wie het eerst die naam zou dragen dan zult u ongetwijfeld antwoorden: “dat was Jacob toch?” Echter, wanneer we Jesaja 49 zorgvuldig lezen  (in het bijzonder vers 3)

 

3 Hij heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Knecht, Israël, in Wie Ik Mij zal verheerlijken.

 

Het is deze Knecht Israël  die de andere knecht Jacob zal verlossen. Die de verstrooide stammen van Israël zal verzamelen (vers 6) ook al gruwt het volk van Hem (vers 7).

4 Ik zei: Voor niets heb Ik Mij vermoeid, nutteloos en tevergeefs heb Ik Mijn kracht verbruikt.

Voorwaar, Mijn recht is bij de HEERE, en Mijn arbeidsloon is bij Mijn God.

5 En nu zegt de HEERE Die Zich Mij vanaf de moederschoot tot Knecht heeft geformeerd om Jakob tot Hem terug te brengen – maar Israël zal zich niet laten verzamelen. Niettemin zal Ik verheerlijkt worden in de ogen van de HEERE, en Mijn God zal Mijn kracht zijn. 6 Hij zei: Het is te gering dat U voor Mij een Knecht zou zijn om op te richten de stammen van Jakob en om hen die van Israël gespaard werden, terug te brengen. Ik heb U ook gegeven tot een Licht voor de heidenvolken, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde. 7 Zo zegt de HEERE, de Verlosser van Israël, zijn Heilige, tegen de verachte Ziel, tegen Hem van Wie het volk een afschuw heeft, tegen de Knecht van heersers: Koningen zullen het zien en opstaan, vorsten – zij zullen zich voor U neerbuigen, omwille van de HEERE, Die getrouw is, de Heilige van Israël, Die U verkozen heeft.

Deze Knecht zal nochtans  een verbond voor het volk zijn. (vers 8) Deze Knecht zal de stammen van Jacob weer oprichten en de gespaarden (notzrie נצירי) tezamen met zijn volk Israël verlossen (vers 6).

Deze uitverkoren Knecht des Heren draagt zelf de naam Israël. Daarom kan Hij ook Jacob zegenen met Zijn eigen Naam. Dat is één van de redenen dat wij ons als gelovigen identificeren zowel met de Gezondene van Zijn Vader als met Zijn volk Israël.

Jesaja 44:5 De één zal zeggen: Ik ben van de HEERE, een ander zal zich noemen met de naam Jakob, weer een ander zal met zijn hand schrijven: Van de HEERE, en de erenaam Israël aannemen. 6 Zo zegt de HEERE, de Koning van Israël, zijn Verlosser, de HEERE van de legermachten: Ik ben de Eerste en Ik ben de Laatste, en buiten Mij is er geen God.

 

Zo spreekt de Heer van de Legerscharen, van de slagorden van Israël en Hij zoekt medestrijders die de Naam van Israël uit Zijn hand aannemen en op al hun wegen aan die Naam Israël blijven denken.

Jesaja 64:5 U ontmoet wie zich in U verblijdt, wie gerechtigheid doet, wie op Uw wegen aan U blijven denken.

Zie, Ú was zeer toornig, want wij hadden gezondigd. Maar in deze wegen is de eeuwigheid en zouden wij verlost zijn geweest. 6  Echter, wij zijn allen als een onreine, al onze rechtvaardige daden zijn als een bezoedeld kleed wij allen vallen af als een blad en onze misdaden voeren ons weg als de wind.

7 Er is niemand die Uw Naam aanroept, die zich beijvert om U vast te grijpen, want U verbergt Uw aangezicht voor ons en U doet ons wegkwijnen in de greep van onze ongerechtigheden. 8 Maar nu, HEERE, U bent onze Vader! Wij zijn het leem en U bent onze Pottenbakker: wij zijn allen het werk van Uw handen.

Zo spreekt Jesaja in hoofdstuk 64 in een tijd van geloofsafval en van bekering. Als het volk zich niet houdt aan de weg die de Vader hen voorhoudt, dan komen Zijn gerichten over hen. Eerst over Israël, maar ook over de volken en ook over Zijn eigen Huis.

Jesaja 42:24 Wie heeft Jakob tot buit gegeven en Israël overgeleverd aan rovers? Is het niet de HEERE, Hij tegen Wie wij gezondigd hebben? Want zij wilden in Zijn wegen niet gaan en zij luisterden niet naar Zijn wet.25 Daarom heeft Hij over hem uitgestort Zijn grimmige toorn en het geweld van de oorlog. Dit heeft hem rondom in vlam gezet, maar hij merkt het niet op; het heeft hem in brand gestoken, maar hij neemt het niet ter harte.

Ondanks deze tuchtigingen nemen Zijn volk en de volken in het algemeen Zijn wet niet ter harte. Het komt niet in onze harten op om te erkennen dat het Gods handelen is die de oorlogen en ook de terreur toelaat, Die rampen en aardbevingen geeft.

De volgende vraag kunnen we dan niet goed beantwoorden, namelijk “hoe kunnen wij zijn brandende toorn verzoenen?”

Jesaja 27: 9 Daarom zal hierdoor de ongerechtigheid van Jakob verzoend worden. Dit is de volle vrucht: dat Hij zijn zonde zal wegdoen, wanneer Hij alle altaarstenen zal maken als stukgeslagen kalksteen; geen gewijde paal of wierookaltaar zal blijven staan.

Op die plaatsen zouden de stukgeslagen stenen terug gezet moeten worden met de tien woorden van Zijn eeuwig verbond. Zoals Pinehas ijverde voor Gods erfdeel en een eeuwig verbond van vrede ontving, zo moet het volk ook leren strijden voor hun erfdeel in het Beloofde Land. Hier hadden de priesters geen erfdelen in het land omdat de HEERE Zelf hun erfdeel is. Deuteronomium 18:1,2. Toch lezen we  in Jozua 24:33

 

Ook Eleazar, de zoon van Aäron, stierf, en zij begroeven hem op de heuvel van zijn zoon Pinehas, die hem in het bergland van Efraïm gegeven was.

 

Pinehas had blijkbaar een stuk land, een heuvel, als erfdeel ontvangen naast het verbond van het priesterschap.

Numeri 27: 4 Waarom zou de naam van onze vader uit het midden van zijn geslacht worden weggenomen, alleen maar omdat hij geen zoon had? Geef ons bezit te midden van de broers van onze vader. 5 Mozes bracht hun rechtszaak voor het aangezicht van de HEERE. 6 En de HEERE sprak tot Mozes: 7 De dochters van Zelafead hebben gelijk;  u moet hun inderdaad een eigen erfelijk bezit geven, te midden van de broers van hun vader, en u moet het erfelijk bezit van hun vader op hen doen overgaan. 8 En tegen de Israëlieten moet u zeggen: Wanneer iemand sterft en geen zoon heeft, dan moet u zijn erfelijk bezit op zijn dochter doen overgaan.

 

Deze vijf zussen wisten te strijden voor het erfdeel van hun vader. De HEERE vult met dit heilig Woord Zijn raadsbesluit aan. Niet op grond van hun of van vaders gerechtigheid, maar omdat zij een diep besef hadden van wat Gods gerechtigheid inhoudt. Strijden wij op dezelfde wijze voor ons erfdeel?

 

In de Messias is er in de nieuwe schepping geen onderscheid tussen een man of vrouw, tussen Jood of Griek. Hij noemt ons in de GEZALFDE allen zonen van God. 

 

Galaten 4:6 Nu, omdat u kinderen bent, heeft God de Geest van Zijn Zoon uitgezonden in uw harten, Die roept: Abba, Vader! 7 Dus nu bent u geen slaaf meer, maar een zoon; en als u een zoon bent, dan bent u ook erfgenaam van God door Christus.

 

Zien we uit naar onze erfenis? Zien we iets van de rijkdom die over ons geopenbaard zal gaan worden?

1 Petrus 1:3 Geprezen zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus Die ons, overeenkomstig Zijn grote barmhartigheid, opnieuw geboren deed worden tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden, 4 tot een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkbare erfenis, die in de hemelen bewaard wordt voor u.

 

1 Petrus 5: 1 De ouderlingen onder u roep ik ertoe op, als medeouderling en getuige van het lijden van Christus en deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden:

2 Hoed de kudde van God die bij u is en houd daar toezicht op, niet gedwongen, maar vrijwillig; niet uit winstbejag, maar bereidwillig;

3 ook niet als mensen die heerschappij voeren over het erfdeel van de Heere, maar als mensen die voorbeelden voor de kudde geworden zijn.

4 En als de Opperherder verschijnt, zult u de onverwelkbare krans van de heerlijkheid verkrijgen.

 

Dat wij in Hem Gods erfdeel geworden zijn staat ook in

 

Efeze 1:10 om in de bedeling van  de volheid van de tijden alles weer in Christus bijeen te brengen, zowel wat in de hemel als wat op de aarde is.

11 In Hem zijn wij ook een erfdeel geworden, wij, die daartoe voorbestemd waren, naar het voornemen van Hem Die alle dingen werkt overeenkomstig de raad van Zijn wil.

Paulus zegt hier nog meer over in vers 15:

Efeze 1:15 Daarom, omdat ook ik gehoord heb van het geloof in de Heere Jezus onder u, en van de liefde voor alle heiligen, 16 houd ik niet op voor u te danken, als ik in mijn gebeden aan u denk,

17 opdat de God van onze Heere Jezus Christus, de Vader van de heerlijkheid, u de Geest van wijsheid en van openbaring geeft in het kennen van Hem,

18 namelijk verlichte ogen van uw verstand, om te weten wat de hoop van Zijn roeping is, en wat de rijkdom is van de heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen,

19 en wat de allesovertreffende grootheid van Zijn kracht is aan ons die geloven, overeenkomstig de werking van de sterkte van Zijn macht.

 

Om die reden vermaant hij ons ook in

Efeze 5:3 Maar ontucht en alle demonische onreinheid of hebzucht, laten die onder u beslist niet genoemd worden, zoals het heiligen past,

4 en evenmin oneerbaarheid, dwaze praat en lichtzinnige taal, die onbehoorlijk zijn; maar veelmeer past dankzegging.

5 Want dit weet u, dat geen enkele ontuchtpleger, onreine of hebzuchtige, die een afgodendienaar is, een erfdeel heeft in het Koninkrijk van Christus en van God.

6 Laat niemand u misleiden met inhoudsloze woorden, want om deze dingen komt de toorn van God over de kinderen van de ongehoorzaamheid.

7 Doe dan niet met hen mee.

 

Integendeel zegt Paulus in

Kolossenzen 3:23  En alles wat u doet, doe dat van harte, als voor de Heere en niet voor mensen, 24 in de wetenschap dat u van de Heere als vergelding de erfenis zult ontvangen, want u dient de Heere Christus.

 

Als wij door gerechtigheid de zonden afbreken zoals:

Daniël 4: 27 Daarom, o koning, laat mijn raad u welgevallig zijn: breek met uw zonden door gerechtigheid te betrachten en met uw ongerechtigheden door genade te bewijzen aan de ellendigen. Misschien zal er dan verlenging van uw voorspoed zijn.

 

Dan zal:

2 Petrus 1: 11 Want zo zal u in rijke mate de toegang worden verleend tot het eeuwig Koninkrijk van onze Heere en Zaligmaker, Jezus Christus.