English: click here!

Ezechiël 2 en 3 De roeping van Ezechiël

Het vorige hoofdstuk eindigde met de vermelding  “ Toen ik dat zag, wierp ik mij met mijn gezicht ter aarde, en ik hoorde de stem van Iemand Die sprak”.  Hier in dit hoofdstuk zegt God tegen Ezechiël: “Mensenkind, ga op uw voeten staan, en Ik zal met u spreken.”

De situatie lijkt op het latere gebeuren van Daniël. Ook daar viel  Daniël, onder indruk van de heerlijkheid des Heren,  met zijn gezicht op de grond en werd bemoedigend aangesproken om te gaan staan. Beide profeten werden aangesproken met “Ben Adam”, dat  is “Mensenkind”. 

Letterlijk betekent Ben Adam “Zoon des mensen”, een titel die Yeshua Zichzelf geeft in het Nieuwe Testament. Maar het woord Adam verwijst ook naar “adama” d.w.z. “uit de aarde genomen”. Het opstaan is dan zoiets als beschreven in Jesaja 60:1: ‘Sta op en wordt verlicht!’  

Je ziet dat zo’n ontmoeting tussen een zondig mens en een heilig God zowel fysiek, als geestelijk en emotioneel heel veel impact heeft.  Gods Geest gaf Ezechiël weer de kracht om te gaan staan en verlicht te worden door te horen wat Gods opdracht is.

De opdracht die Ezechiël krijgt is ook verre van gemakkelijk. Hij moet met Gods boodschap naar zijn volksgenoten in ballingschap, terwijl God hem van tevoren al waarschuwt dat ze mogelijk niet willen luisteren naar Zijn woorden. God noemt Israël “die opstandige volken” een uitdrukking waarmee de Joden meestal de heidenen bedoelden. Nu Israël buiten zijn grondgebied is wordt het tijdelijk vergeleken met de opstandige heidenvolken, hoewel Gods liefde voor Zijn volk niet geweken is.

God beschrijft de hartsgesteldheid van zijn volk: hard van aangezicht , schaamteloos, hardleers. Hun woorden zijn als prikkels en dorens, het is alsof je verkeert tussen doodsgevaarlijke schorpioenen.  Zoveel tegenstand is er tegen God en Zijn Woord. Dat moet wel het gevolg zijn van afgodendienst, waardoor demonen zich in de geest van de mens nestelen.  Zodra de kracht van Gods Woord zich openbaart wordt men “des duivels”, want dat is men in feite ook.

Ezechiël zal dus enorme tegenstand ervaren, maar het volk zal zich niet kunnen verontschuldigen, want ze hadden het kunnen weten. God zocht hen, ”zij zullen weten dat er een profeet in hun midden geweest is”  staat er in vers 5b.

In vers 6 geeft God tot zes maal toe opdracht om niet bang te zijn voor de reacties. Ezechiël moet zich er niets van aantrekken en hij moet gewoon zeggen wat er gezegd moet worden:

Maar u, mensenkind,

WEES NIET BEVREESD VOOR HEN,

WEES NIET BEVREESD VOOR HUN WOORDEN,

hoewel er prikkels en dorens bij u zijn en u bij schorpioenen verblijft.

WEES NIET BEVREESD VOOR HUN WOORDEN en

WEES NIET ONTSTELD VOOR HUN BLIK,

want zij zijn een opstandig huis!

WEES NIET BEVREESD VOOR HEN,

WEES NIET BEVREESD VOOR HUN WOORDEN

 

Ezechiël bevindt zich als zwak mens in dit geestelijke krachtenveld. Dan ziet Ezechiël een hand naar hem uitgestoken en in die hand een boekrol aan twee kanten beschreven die voor hem werd uitgespreid. De kenmerkende woorden uit die boekrol waren:

klaagliederen, zuchten en weeklachten.  

Moest Ezechiël dat eten? Het "eten van zonden" doet denken aan de priesterdienst. Ezechiël was uit het priestergeslacht. Bijzonder detail is dat een priester vanaf de leeftijd van 30 jaar  zijn dienst moest vervullen. (Numeri 4:3) En Ezechiël was dertig jaar.

De zondoffers die door het volk moesten worden gebracht tot verzoening van de schuld, moesten door de priesters gegeten worden:

Leviticus 6:25,26 Spreek tot Aäron en zijn zonen en zeg: Dit is de wet voor het zondoffer. Op de plaats waar het brandoffer geslacht wordt, zal het zondoffer voor het aangezicht van de HEERE geslacht worden. Het is allerheiligst.  De priester die het als zondoffer offert, moet het ook eten. Op de heilige plaats moet het gegeten worden, in de voorhof van de tent van ontmoeting.

Het eten van het zondoffer beeldde uit dat de priester de zonde in zich opnam en zo in plaats van de zondaren verzoening bewerkte. Dat gold ook voor de zonden van de hele gemeente van Israël. (Leviticus 4:13,14)

Zo kwam het in het binnenste van de priester en droeg hij de zonde van de offeraar, om ervoor verzoening te kunnen doen. Hiermee was de priester het beeld van Yeshua die onze zonden in zich droeg. Het betekent een ruil  voor ons, want omgekeerd mogen wij het vlees en bloed van Yeshua zinnebeeldig eten en drinken en worden wij dragers van Zijn heil. Zie Johannes 6:52-56. Het eten van de boekrol laat bovendien zien dat de inhoud daarvan verinnelijkt, één wordt met de geest van de eter, in dit geval Ezechiël. Hetzelfde gebeurt met het Woord dat God sprak tot Ezechiël en tot ons. Dan neem je het ter harte, het komt in je hart en in je gedachten. Gods Heilige Geest brengt het in herinnering op het juiste moment.

Er is ook een boekrol waarin is geschreven over Hem die onze zonden op Zich nam:

Psalm 40:8,9

Toen zei Ik: Zie, Ik kom,

in de boekrol is over Mij geschreven.

Ik vind er vreugde in, Mijn God, om Uw welbehagen te doen;

Uw wet draag Ik diep in Mijn binnenste.

Op vergelijkbare wijze moest Johannes op Patmos een boekrol opeten.  (Openbaring 10)  Ook bij hem was het zoet in de mond. De uitwerking was echter bitter. We lezen van Ezechiël:

Ezechiël 3:14 Toen hief de Geest mij op en voerde mij weg en ik ging weg, bitter bedroefd en hevig ontdaan, en de hand van de HEERE was zwaar op mij.

Dat de hand van de HEERE zwaar op Ezechiël drukte wil zeggen dat Ezechiël niet kon doen wat hij zelf wilde en kon gaan waar hij heen wilde gaan. Hij moest een moeilijke weg gaan, de weg die God voor hem bepaald had.

Zowel bij Ezechiël als bij Johannes was de bijbehorende opdracht dat zij namens God moesten profeteren, met dit verschil dat Ezechiël  dit naar Israël moest doen en Johannes naar vele volken, naties, talen en koningen (Openb. 10:11). Een ander verschil is dat Ezechiël mocht zien wat er in de boekrol geschreven stond en de inhoud van de boekrol bij Johannes was onbekend.

Er is ook nog een ander belangrijk aspect met betrekking tot deze boekrol. Jeremia, de oudere tijdgenoot van Ezechiël heeft Gods Woord aan de schrijver Baruch gedicteerd en er was een rol die de naam kreeg "klaagliederen (!)", het boek dat ook in onze Bijbel zit. (de boekrol die Ezechiël te eten krijgt bevat klaagliederen!)  We lezen in Jeremia 36:5 dat Jeremia verhinderd werd om de tempel binnen te gaan om zijn boekrol voor te lezen. Daarom vraagt Jeremia of Baruch dat wil voorlezen, wat Baruch dan ook doet. Enkele toehoorders werden bang toen zij die woorden hoorden en zeiden dit moet koning Jojachin weten! ( Jeremia 36:15)  Zo werd de rol voorgelezen aan de koning die de rol, in stukken scheurde en sneed en in vuur verbrandde.  Jeremia heeft wel opnieuw de woorden van God aan Baruch gedicteerd.  Dit was dezelfde koning onder wie Ezechiël met een deel van het volk in ballingschap werd meegenomen door Nebukadnezar. God sprak een vloek uit over koning Jojachin, een telg uit de David dynastie. Dit was waarschijnlijk de druppel die de emmer deed overlopen om dit deel van Juda in ballingschap te laten gaan. Jeremia 36 vanaf 29Vijf jaar nadat Ezechiël in Tel-Abib aankwam, werd hij in het jaar 592 v.Chr. tot profeet geroepen; hij was toen dertig jaar. Het is goed om in dit verband het hele hoofdstuk te lezen.

 

Ezechiël had een taak om het Woord dat hij had opgegeten naar zijn eigen volksgenoten uit te spreken. Maar ook de woorden die hij uit de mond van Jahweh had gehoord. (Ezechiël 3:10) Hij had geen andere taal nodig om dit bekend te maken. Dat lijkt gemakkelijk, maar God bereidt hem er op voor dat het uiterst moeilijk gaat worden. Volken van een andere taal, de heidenen zouden ontvankelijker zijn voor Gods Woord, dan Gods eigen volk.

Maar God maakt Ezechiël klaar voor die taak. Hij zal hem een “hard aangezicht” geven. Zijn aangezicht zal als diamant zijn, dat nog harder is dan steen. Hij krijgt van God de geestelijke wapenrusting mee en het schild van het geloof, waarop de vurige pijlen die op hem gericht worden zullen afketsen en hij niet ten onder zal gaan. Die pijlen zullen niet zijn diepste wezen raken.

Efeze 6:13 Neem daarom de hele wapenrusting van God aan, opdat u weerstand kunt bieden op de dag van het kwaad, en na alles gedaan te hebben, stand kunt houden.

  1. Houd dan stand, uw middel omgord met de waarheid, en bekleed met het borstharnas van de gerechtigheid,
  2. en de voeten geschoeid met bereidheid van het Evangelie van de vrede.
  3. Neem bovenal het schild van het geloof op, waarmee u alle vurige pijlen van de boze zult kunnen uitblussen.

 

Dan volgen er zeven dagen van betrekkelijke rust tussen zijn volksgenoten die in het Babylonische Tel Abib woonden. Even bijkomen en verwerken wat zich allemaal voor zijn ogen en in zijn hart heeft voltrokken. Volgens wat ik gelezen heb heeft die plaatsbepaling niets met het huidige Tel Aviv te maken, dat pas in 1910 werd gebouwd als buitenwijk van Jaffa. De stad werd genoemd naar de Hebreeuwse vertaling van een manifest van Theodor Herzl. Die zeven dagen rust op één plaats is wel weer een aanwijzing voor het priesterschap van deze profeet.  Het was volgens Leviticus 8 (het hoofdstuk over de priesterwijding) de periode die bij de priesterwijding hoorde:

Leviticus 8:33 Ook mogen jullie zeven dagen lang niet van de ingang van de tent van ontmoeting weggaan, tot de dag dat de dagen van jullie wijdingsoffer voorbij zijn, want zeven dagen zal jullie wijding duren.

 

Ezechiël wachter over het huis van Israël.

Een wachter was in Israël een bekend begrip. Het was iemand die op de uitkijk stond om te zien of er mogelijk gevaar voor een stad in aantocht was, zodat hij de bestuurders kon waarschuwen om actie te ondernemen.  We lezen voorbeelden van zulke wachters in 2 Samuel  18:24-27 en 2 Koningen 9:17-20. 

Ezechiël als profeet/priester is iemand die ook kwaad signaleert in de dienst van God. Zijn taak als wachter, is te waarschuwen en op te roepen tot berouw en bekering.

Deze functie luistert heel nauw en er rust dan ook een grote verantwoordelijkheid op de schouders van Ezechiël.  Dit Bijbelgedeelte citeer ik maar, want ik zou het niet beter kunnen verwoorden. Het is goed dat ook wij dit ter harte nemen. We weten dat we daarin wel eens falen. Maar dan kunnen we dat belijden. Net als het opstandige volk van ballingen moeten afvallige gelovigen in onze tijd gewaarschuwd worden voor rampspoed en oordeel en opgeroepen worden om berouwvol terug te keren naar de Vader. We zullen er rekening mee moeten houden dat er ook niet naar ons wordt geluisterd en dat er vijandige reacties komen. Ook wij hebben een "hard aangezicht" nodig om de "klappen" op te vangen. Het is hier en daar een enkeling die ons getuigenis ter harte neemt. Maar laat ons getuigenis dan ook alleen bestaan uit Gods Woord en niet uit "psychologische waarheden".  Die behoren tot de  "wijsheid van deze wereld" die bij God dwaasheid is. (1 Kor.3:19)

 
Ons zwijgen heeft enorme consequenties voor mensen die in hun zonden blijven.  Ook voor hen moet het zo zijn dat ze zich niet kunnen verontschuldigen, want ze zijn gewaarschuwd. 

 

Ezechiël 3:17 Mensenkind, Ik heb u aangesteld tot wachter over het huis van Israël. Wanneer u uit Mijn mond een woord hoort, moet u hen namens Mij waarschuwen.

  1. Als Ik tegen de goddeloze zeg: U zult zeker sterven, en u hebt hem niet gewaarschuwd en u hebt niet gesproken om de goddeloze voor zijn goddeloze weg te waarschuwen om hem in het leven te behouden: die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar Ik zal zijn bloed van uw hand eisen.
  2. Maar u, als u de goddeloze waarschuwt en hij zich niet van zijn goddeloosheid en van zijn goddeloze weg bekeert, zal hij in zijn ongerechtigheid sterven, maar u hebt uw leven gered.
  3. En als een rechtvaardige zich van zijn gerechtigheid afwendt en onrecht begaat en Ik een struikelblok voor hem leg, zal híj sterven. Omdat u hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij in zijn zonde sterven. Zijn rechtvaardige daden die hij gedaan heeft, zullen niet meer in herinnering gebracht worden, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.
  4. Maar u, als u de rechtvaardige waarschuwt, opdat de rechtvaardige niet zondigt, en hij inderdaad niet zondigt, zal hij zeker in leven blijven omdat hij gewaarschuwd is, en hebt ú uw leven gered.

 

Jahweh verschijnt opnieuw.

Ezechiël krijgt van God de opdracht om naar de vallei te gaan, want God wil opnieuw met hem spreken. Daar ziet Ezechiël de heerlijkheid van Jahweh al staan. In hoofdstuk 1 zag Ezechiël de aankomst ervan, maar dat is hier niet het geval. Opnieuw wordt Ezechiël overmand door die heerlijkheid en valt weer op zijn gezicht.  Weer nam Gods Geest bezit van Ezechiël en deed hem op zijn voeten staan. Nu krijgt hij de opdracht in zijn huis te blijven omdat de ballingen touwen om hem zouden slaan en hem zouden binden. Dat thuis blijven lijkt een vreemde opdracht voor iemand die het volk moet waarschuwen.  Het is nu beter binnen te blijven en de deur te sluiten.  Het doet denken aan Paulus in Rome die in zijn huis gevangen was en daar mensen kon ontvangen om hen uit Gods Woord te onderwijzen. Het offensief van satan maakt blijkbaar voorbereidingen.  Ook maakt God de mond van Ezechiël  tijdelijk ongeschikt om te bestraffen en te waarschuwen. Alleen daar waar God het nodig vindt zal God het hem mogelijk maken te spreken. Dan mag hij tegen hen zeggen: “Zo zegt de HEERE....”.

Wie luistert, laat hij luisteren. Wie dat nalaat, laat die het maar nalaten, het is een opstandig volk.

De slottekst van dit hoofdstuk doet me denken aan wat er in Jesaja 26 staat als de oordelen en de gramschap van God over de wereld komen:

Jesaja 26:20 Ga, Mijn volk, treed uw kamers binnen, sluit uw deuren achter u. Verberg u voor een klein ogenblik, totdat de gramschap over is.

Blijkbaar was er ook zo’n dreiging voor Ezechiël. Daar waar God verschijnt wordt ook de satan actief.   

 

Wie luistert, laat hij luisteren. Wie dat nalaat, laat die het maar nalaten,