English: click here!

Ezechiël 9 Het gericht over Jeruzalem

In het vorige hoofdstuk was Ezechiël in het visioen getuige van wat er zich op dat moment plaatsvond in de tempel in Jeruzalem. Hoofdstuk 9 is een vervolg van het visioen, maar de oordelen die daar worden voltrokken zijn tot heden nog niet uitgevoerd.  Dit zal pas plaatsvinden aan het eind van deze bedeling, overeenkomstig hetgeen in het boek Openbaring beschreven staat. Het is dus een profetische vooruitblik.  Het kan ook niet slaan op de inname van Nebukadnezar, want die vond 7 jaar later plaats.

Omdat het oordeel begint bij Gods huis schrijft Petrus (en hij heeft vast aan Ezechiël 9 gedacht):

1 Petrus 4:17 Want nu is het de tijd dat het oordeel begint bij het huis van God; en als het eerst bij ons begint, wat zal het einde zijn van hen die het Evangelie van God ongehoorzaam zijn?

Ezechiël hoorde Gods stem die opdracht gaf: “Kom naar voren, u die de stad gaat straffen, ieder met zijn verdelgingswapen in zijn hand.” Toen kwamen er zes mannen naar voren, met een wapen om te doden.  Maar één Man in hun midden onderscheidde zich in kleding en Hij had geen wapen, maar schrijfgerei . Hij was de Engel des Heren, d.w.z. Yeshua, Hij was het hoofd van die andere zes engelen.  Hij kwam niet om te verderven zoals de andere engelen, maar om te behouden.  Hij moet een teken aanbrengen op de voorhoofden van allen, die verdriet hebben over de zonden en de afval. Het is het teken van het kruis, een liggend kruis op het voorhoofd. Die dit teken ontvangen blijven gespaard. Maar tot de anderen, die het teken van de tav niet hebben, komt het verderf. Zo moeten zij uitbannen, wat goddeloos is, maar sparen, hen die de  HEERE vrezen.

Naardense Bijbelvertaling:
De Ene zegt tot hem: trek dwars door de stad, dwars door Jeruzalem,-en teken een kruis op de voorhoofden van die mannen die zuchten en kermen over alle gruweldaden die in haar midden worden gedaan!


Wat is het teken dat op de voorhoofden in Ezechiel 9:4 geplaatst wordt?


וְהִתְוִיתָ תָּו עַל־מִצְחֹות הָאֲנָשִׁים הַנֶּאֱנָחִים

(vehitvita tav al mitshhot ha' anashim)

De Hebreeuwse woorden in deze zin luiden letterlijk vertaald: “en het teken van het voorhoofd van de zuchtende mensen”

Het woord וְהִתְוִיתָ (vehitvita) betekent ′′ en maak een teken ". Het basiswoord is het werkwoord תְוָה (tavah). Het betekent ′′ om een teken te maken ". Het tweede woord תָּו (Tav) is een naamwoord dat een “teken ′′ betekent en komt uit dezelfde wortel als het vorige werkwoord tavah.

 De rest van de zin ′′ al mitshot ha ' anashim ′′ betekent ′′ op de voorhoofden van de mannen ".Er zijn twee manieren om deze zin te interpreteren. De eerste is om deze passage te vertalen als ′′ maak een teken van een teken op de voorhoofden van de mannen ′′ waarbij  het type of de stijl van het teken niet is aangegeven. Ten tweede, omdat de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet ţ (tav) is, is het mogelijk dat deze passage zegt ′′ maak een teken van de letter tav op de voorhoofden van de mannen ". Als dit waar is dan was het teken de letter tav. Ten tijde van Ezechiël zou deze letter als + of x uitgebeeld zijn. In het oude Paleo Hebreeuws leek het meer op de kruisvorm waar we allemaal bekend mee zijn, een soort van de letter t (zonder de staart onderaan). Ancent Hebrew Research Centre


Vers 4 vindt zijn vervolg in Openbaring 7:3 en 4

En ik zag een andere engel opkomen vanwaar de zon opgaat, met het zegel van de levende God. En hij riep met luide stem tegen de vier engelen aan wie het gegeven was de aarde en de zee schade toe te brengen en zei: Breng geen schade toe aan de aarde, en ook niet aan de zee en de bomen, totdat wij de dienaren van onze God aan hun voorhoofd verzegeld hebben.

Uit het vervolg van dit schriftgedeelte uit Openbaring blijkt dat het hier gaat om de 144.000 uit de stammen van Israël.  De verschrikkelijke afgodendienst die Ezechiël werd getoond in de tempel, zal in de eindtijd de hele aarde vervuld hebben doordat men het beest aanbidt. Maar de verzegelden zijn het gelovig overblijfsel  die hun taak zullen moeten en kunnen vervullen. Dit is het Israël zoals God het bedoeld had.

In Ezechiël 9:3 wordt de Man in het midden nader aangeduid met zijn linnen kleding, die kenmerkend is voor het priesterschap. Ook de Man die Daniël bezocht was in linnen gekleed. (Daniël 10:5)  De Engel draagt aan Zijn middel een schrijverskoker. Dit is een kleine koker waarin pennen, inkt en een wastafeltje zaten, en behoorde tot de uitrusting van een  schrijver in het Midden Oosten.

Anders dan de zes engelen, die wapens tot vernietiging droegen, herinnert zijn schrijversuitrusting ons aan het boek des levens, waarin men wordt opgeschreven door God (Exodus 32:32; Psalm 69:29; Psalm 139:16; Jesaja 4:3; Daniël 12:1; Filippenzen 4:3; Openbaring 20:12).

De zes gewapende engelen kwamen het tempelcomplex binnen en gingen bij het brandofferaltaar staan dat normaal – volgens Gods voorschrift -  aan de oostkant bij de ingang  geplaatst is. Maar de ongehoorzame koning Achaz had in het verleden dit altaar bij de noorderpoort gezet nadat hij  het had omgeruild voor een afgodsaltaar. (2 Koningen 16:10-16) Dit verklaart mogelijk dat de engelen in Openbaring vanuit de Oostkant het tempelcomplex binnen gingen en in Ezechiëls tijd aan de noordkant.

We zien dat heel de tempeldienst ontaard en gedemoniseerd was. Dat wat koning Achaz flikte en wat er in het vorige hoofdstuk aan ongerechtigheden is beschreven, had niet kunnen gebeuren als de voorgeschreven poortwachters daarop hadden toegezien, zoals Pinehas dat deed. Datzelfde geldt voor het kerkelijk leven onder ons. Niemand stond op toen er homohuwelijken en genderveranderingen in de gemeente werden (in)gezegend.  Dat er homo en lesbische predikanten kwamen. Dat er gezamenlijke bidstonden kwamen met moslims en hindoes. Dat predikanten die niet door God geroepen waren de gemeente voorgingen en soms niet eens in God geloofden. Dat Israël als volk van God als afgedaan werd beschouwd en men zichzelf de verbonden ging toeëigenen. 

                                               Waar zijn de Pinehassen van onze tijd?


Dan neemt God de kandelaar weg, zoals Hij zich ook begon  terug te trekken uit de tempel.

De verderfengelen kregen vervolgens opdracht om allen te doden die Gods merkteken niet hadden: ouderen, jongemannen en meisjes, kleine kinderen en vrouwen. Niemand moest worden ontzien. De tempel moest verontreinigd worden met dode lichamen van hen die God verworpen of veronachtzaamd  hadden.  De oudere  mannen  die in het vorige hoofdstuk tussen de voorhal en het altaar bezig waren de zon te aanbidden waren het eerst aan de beurt.

Maar voordat het bloedbad gaat beginnen verlaat de heerlijkheid van God de plaats boven het verzoendeksel, tussen de cherubs. De tijd van verzoening is voorbij. Het zijn de zonden die scheiding maken tussen God en de mens.(Jesaja 59:2)  De maat van de zonde is vol. Dit is het moment van het oordeel.

Wat een groot verdriet dat God Zijn volk verlaat. De heerlijkheid van God bevindt zich nog op de drempel, maar het is duidelijk dat God zich terugtrekt. Wat een groot intens verdriet.
God's heerlijkheid verliet de plaats waar Hij onder Zijn volk wilde wonen. Hij was er niet welkom meer. Maar met een deel ging Hij verder en kwam later onder hen wonen in Zijn Zoon Yeshua de Messias. Zijn volk was niet uit Zijn hart. 

De centrale tekst is:

Ezechiël 9:7 Hij zei tegen hen: Verontreinig het huis, vul de voorhoven met gesneuvelden, ga naar buiten. Toen gingen zij naar buiten en zij sloegen toe in de stad.

Degenen in en rondom de tempel zijn gedood. De voorhoven van de tempel liggen vol lijken., Nu moeten de verderfengelen naar buiten gaan om de inwoners van Jeruzalem te doden. Reken erop dat dit de wereld in grote beroering zal brengen en dat men zich zal willen wreken op de 144.000. Maar deze zijn onschendbaar door het teken op hun voorhoofd gegeven.  Zij zijn nu de Pinehassen.

Ezechiël heeft niet kunnen begrijpen wat die “tav” op het voorhoofd betekende en dat dit teken verwees naar het kruis van Yeshua, net zo als het bloed van het Paaslam op de deurposten de redding van de dood betekende. Ezechiël  heeft het wel voor ons opgeschreven.

1 Petrus 1:10,11 Naar deze zaligheid hebben de profeten, die geprofeteerd hebben over de genade die aan u bewezen is, gezocht en gespeurd. Zij onderzochten op welke en wat voor tijd de Geest van Christus, Die in hen was, doelde, toen Hij tevoren getuigde van het lijden dat op Christus komen zou, en ook van de heerlijkheid daarna.

Ezechiël voelde dat hij bij al dat geweld eenzaam achter bleef.  Er waren steeds minder mensen in leven en hij riep ontzet uit:  Ach, Heere HEERE, gaat U heel het overblijfsel van Israël te gronde richten door Uw grimmigheid over Jeruzalem uit te storten? (vers 8)

Ezechiël was ruim 300 jaar later net zo wanhopig als Elia, die dacht dat hij alleen was overgebleven. Ook Jeremia kende zulke momenten.  Maar God bevestigde aan Ezechiël dat dit moest gebeuren. Hun manier van doen moest op hun eigen hoofd terugkomen. Het is een rechtvaardig oordeel.

Toch zal er een overblijfsel behouden worden en de verstrooiden zullen terugkeren. Israël zal een nieuw hart ontvangen en de inzettingen van YHWH onderhouden.

Aan het eind van het hoofdstuk lezen we dat de Man, Yeshua, verslag komt uitbrengen. Hij heeft gedaan wat Zijn Vader Hem geboden heeft: een merkteken geplaatst bij hen aan wie het oordeel voorbij gaat. Dit is de kenmerkende rol van de Verlosser, de Enige die met recht voor God kan getuigen: 

Ik heb gedaan, zoals U Mij geboden had.