To translate this page into different languages, click here!

Ezechiël 28:23 - 29:21

Ezechiël 28:25, 26 Zo zegt de Heere HEERE: Als Ik het huis van Israël bijeengebracht heb uit de volken waaronder zij verspreid zijn, en Ik door hen voor de ogen van de heidenvolken geheiligd word, dan zullen zij in hun land wonen, dat Ik Mijn dienaar Jakob gegeven heb.

Zij zullen er onbezorgd wonen, huizen bouwen en wijngaarden planten. Ja, zij zullen er onbezorgd wonen, zodra Ik strafgerichten heb voltrokken aan allen die hen verachten onder hen die hen omringen. Dan zullen zij weten dat Ik, de HEERE, hun God ben.

Hier spreekt YHWH door de mond van Ezechiël over de verre toekomst. Want het huis van Israël is nog lang niet volledig terug in het land. We zien hier ook dat God Zelf hen bijeenbrengt. Het land dat God bestemd heeft voor Zijn volk heeft nog niet de oppervlakte en afmetingen zoals aan Abraham beloofd in:

Genesis 15:18 Op die dag sloot de HEERE een verbond met Abram, en zei: Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat.

Dan is er de heerlijke belofte dat het volk Israël daar onbezorgd kan wonen. We begrijpen dat ook deze belofte, zoals de meeste beloftes, pas echt tot vervulling komen in het komende Vrederijk nadat de strafgerichten zijn voltrokken “aan hen die hen omringen”. Dit doet mij denken aan de volken genoemd in Psalm 83 die voortdurend het bestaan van Israël betwist hebben.

Met een aantal van die volken heeft Israël, in het zoeken naar vrede, nu het Abraham akkoord gesloten. Maar vrede vindt men niet naar menselijke maatstaven. Daarom zal dit akkoord zich ook tegen hen keren. Vrede is alleen te zoeken bij YHWH:

Jesaja 27:5 Laat men zich liever aan Mijn macht vastklampen, laat men vrede met Mij sluiten; vrede moet men met Mij sluiten.

Als ze dat doen zullen ze ervaren dat YHWH ècht hun God is (Ez.28:26c).

Ezechiël 29

Hier moet Ezechiël zijn aandacht richten op de farao van Egypte en uit het vervolg blijkt dat de farao uit Ezechiëls tijd, dezelfde kenmerken vertoonde als de farao ten tijde van de uittocht van Egypte. Op een lijst van farao’s uit de oudheid vond ik de naam van Necho II (610-595 v. Chr.), die volgens de gegevens een tijdgenoot was van Ezechiël (622-569 v.Chr.).  Toen ik Wikipedia raadpleegde op de naam Necho werd in die beschrijving Ezechiël ook genoemd. De Bijbel kent deze farao bij naam, hij wordt zelfs tien maal vermeld. En vooral Jeremia 46 heeft betrekking op de situatie die Ezechiël in dit hoofdstuk beschrijft. Het prachtige slot van Jeremia 46 komt ook helemaal overeen met het slot van Ezechiël 28 hierboven beschreven.

De farao werd door de Egyptenaren gezien als de vertegenwoordiger en reïncarnatie van de goden. Vandaar dat zij zich ook de god van de Nijl noemden. Dit is de reden dat Ezechiël hem namens God als volgt bestempelt:

koning van Egypte, zeemonster, (hier een vergelijking met een satanische draak) dat in het midden van zijn rivieren ligt, dat gezegd heeft: Mijn Nijl is van mij en ik heb die zelf voor mij gemaakt!  (vers 3)

In Jeremia 46 lezen we over hem:

Jeremia 46:17 De farao, de koning van Egypte, is een grootspreker: hij heeft het juiste moment voorbij laten gaan!

Al die kwalificaties sloegen ook op de farao waarover we in Exodus lezen. Het is dezelfde geest die van deze farao’s bezit hebben genomen. God gaat Egypte straffen. Ik heb vaak gedacht dat deze profetie van Ezechiël nog in vervulling zou moeten gaan.

 Maar nu, in vergelijking met Jeremia 46, besef ik dat het oordeel in diezelfde tijd al heeft plaatsgevonden. God gebruikt daarvoor Nebukadrezar, de koning van Babel. Necho II was samen met Assyrië ver weg naar het noorden getrokken, om Karchemis dat vroeger tot Assyrië hoorde, weer terug te winnen van Babel en daardoor de macht over het hele Midden-Oosten te verkrijgen. Necho II werd in 605 v.Chr. in de strijd verslagen door Nebukadnezar II nabij Karchemis. (voor wie uit de algemene geschiedenis er iets over wil lezen)

Jeremia 46:15 Waarom zijn uw machtigen (van Egypte) weggevaagd? Zij hebben geen stand gehouden, omdat de HEERE hen heeft verjaagd.

Nebukadrezar (ook Nebukadnezar II) mocht dat van God doen omdat hij niet terecht was behandeld door de koning van Tyrus. (Ezechiël 29:18-20). Egypte kwam onder zijn macht.

Hierin zien we duidelijk dat God de gebeurtenissen in de wereld onder zijn controle heeft. Want waarom liet hij farao Necho de strijd verliezen? Zeker, het was als een straf bedoeld, maar meer nog ter bescherming van Israël.

 

Ezechiël 29:15,16 Het (Egypte) zal onbeduidender zijn dan de andere koninkrijken en het zal zich niet meer boven de heidenvolken verheffen. Ik zal hen namelijk zo klein maken dat zij niet over de heidenvolken kunnen heersen.

Dan zal het niet meer het vertrouwen genieten van het huis van Israël, een vertrouwen dat herinnert aan de ongerechtigheid van de tijd toen zij zich achter hen schaarden. Dan zullen zij weten dat Ik de Heere HEERE ben.

 

Israël heeft zo vaak de steun van Egypte gezocht, maar die steun bleek een “rietstaf” te zijn, die breekt als je erop leunt. (Ezechiël 29:6,7) Ook hier geldt weer de tekst die ik bij hoofdstuk 28 noemde:

Jesaja 27:5 Laat men zich liever aan Mijn macht vastklampen, laat men vrede met Mij sluiten; vrede moet men met Mij sluiten.

Vastklampen aan YHWH de Almachtige is de beste steun die Israël, maar ook wij, kunnen zoeken. Dan zal in vervulling gaan wat Zacharias de hogepriester, door de Heilige Geest gedreven, profeteerde met het oog op Yeshua die in de wereld zou komen:

Lukas 1:68 Geprezen zij de Heere, de God van Israël, want Hij heeft naar Zijn volk omgezien en er verlossing voor tot stand gebracht.

  1. En Hij heeft een HOORN VAN ZALIGHEID voor ons opgericht in het huis van David, Zijn knecht,
  2. zoals Hij gesproken had bij monde van Zijn heilige profeten, die er door de eeuwen heen geweest zijn,
  3. namelijk verlossing van onze vijanden en bevrijding uit de hand van allen die ons haten,
  4. om barmhartigheid te bewijzen aan onze vaderen en te denken aan Zijn heilig verbond,
  5. de eed die Hij aan Abraham, onze vader, gezworen heeft om ons te geven,
  6. dat wij, verlost uit de hand van onze vijanden, Hem zouden dienen zonder vrees,
  7. in heiligheid en gerechtigheid voor Hem alle dagen van ons leven.

 

Zo profeteerde ook Hanna in haar lied om YHWH te loven voor Wie zij een dienstknecht van de Heer in haar schoot mocht dragen en voor Hem afstaan:

 

1 Samuel 2:10

Zij die de HEERE ter verantwoording roepen, zullen verpletterd worden;

Hij zal in de hemel over hen donderen.

De HEERE zal rechtspreken over de einden der aarde;

 Hij zal Zijn Koning kracht geven,

     en DE HOORN VAN ZIJN GEZALFDE opheffen.

Zoals Ezechiël het hoofdstuk besluit met:

Ezechiël 29:21 Op die dag zal Ik voor het huis van Israël EEN HOORN DOEN OPKOMEN en zal Ik u in hun midden een geopende mond geven. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.

Zie ook de pagina over Jeremia 46, die over dezelfde tijd gat.