English & other languages: click here!

Ezechiël 20 - zonden sinds de uittocht

Met dit hoofdstuk gaat God op een nieuwe wijze Zijn volk indachtig maken van wat er de geschiedenis door verkeerd is gegaan. Mogelijk kunnen we Ezechiël 16 beschouwen als een voorbereidend thema. Het hoofdstuk is weer nauwkeurig gedateerd. Het is omstreeks juli/augustus in het jaar 591 voor Christus, dat er een aantal godsdienstige “oudsten” aan de voeten van Ezechiël gaan zitten. Dit was een normale gang van zaken waarbij Ezechiël als een soort leraar erkend wordt. Men kwam daar, zoals de Bijbel vermeldt: “om YAHWEH te raadplegen.” Waarschijnlijk wilde men meer informatie hebben over Jeruzalem dat door de Babyloniërs bezet wordt.

Eigenlijk worden ze allesbehalve vriendelijk door YAHWEH ontvangen, zoals blijkt uit hetgeen Hij aan Ezechiël bekend maakt. “Zo zegt de Heere HEERE: Komt u om Mij te raadplegen? Zo waar Ik leef, Ik laat Mij door u niet raadplegen, spreekt de Heere HEERE.”

God laat Ezechiël profeteren hoe Zijn liefde generaties lang naar hen uitging  en wat Hij al die tijd  van hen heeft ondervonden.

Ezechiël moet over de oudsten rechtspreken. Een taak die ook in het Nieuwe Testament van gelovigen wordt verwacht.

1 Korinthe 6:2,3 Weet u niet dat de heiligen de wereld zullen oordelen? En als door u de wereld geoordeeld wordt, zou u dan ongeschikt zijn voor de meest onbeduidende rechtszaken? Weet u niet dat wij engelen zullen oordelen? Hoeveel te meer dan alledaagse dingen?

Ezechiël moet bij dat berechten de gruweldaden van hun vaderen benoemen. Ook in de verzen Ezechiël 22:2 en Ezechiël 23:36 was het van belang dat de “gruweldaden” eerst bekend moeten worden gemaakt. Toch had God al eerder duidelijk door Ezechiël bekend gemaakt dat niemand om de zonden van zijn vader veroordeeld wordt, maar om zijn eigen zonden. Ezechiël 18:20. Dat betekent dus dat deze mensen zich niet hebben afgekeerd van de zonden van de vaderen en dat zij dezelfde gruweldaden bedreven.

In vers 5 herinnert God de oudsten eraan dat Hij hen op een dag had “verkozen”. Het gaat hier dus om de uitverkiezing van de natie Israël, terwijl zij nog gebukt gingen onder de slavernij van Egypte. Yahweh had Zijn hand voor hen opgeheven, dat wil zeggen dat Hij een eed had gezworen en daarbij uitsprak “Ik ben de HEERE, uw God.” (Exodus 6:6). God had goede plannen voor Zijn volk: ze zouden een prachtig land krijgen, vloeiend van "Melk en Honing: een “Sierraadland”. Die mooie kwalificatie lezen we ook in Daniël 11:16, en Daniël 11:41 en Daniël 11:45.

We lezen in Ezechiël 20:7,8 dat Israël zich toen al, toen ze zich in Egypte bevonden, bezig hield met afgoden/stinkgoden. God riep hen op om ze weg te doen, maar ze gehoorzaamden Hem niet. Dat Hij verder ging met dit volk deed Hij niet om hun gehoorzaamheid, maar om Zijn Heilige Naam, die niet ontheiligd mocht worden onder de heidenvolken. YAHWEH ging verder met het bevrijden van het volk uit Egypte en leidde hen in de woestijn. Hij gaf hen Zijn geboden op de Sinaï met de bedoeling dat het naleven daarvan hen vrede en welvaart zou geven. Hij leerde hen de sabbat te onderhouden want daaraan zou ieder weten dat zij en YHWH bij elkaar hoorden. Het was als het ware de trouwring waaraan buitenstaanders die bijzondere relatie zouden herkennen. Hun gehoorzaamheid zou een getuigenis moeten zijn voor de heidenvolken. Zoals God ook door middel van Mozes sprak:

Deuteronomium 4:6-8

Neem ze in acht en doe ze; want dat zal uw wijsheid en uw inzicht zijn voor de ogen van de volken, die al deze verordeningen horen zullen en zullen zeggen: Werkelijk, dit grote volk is een wijs en verstandig volk! Want welk groot volk is er waar de goden zo dichtbij zijn als de HEERE, onze God, bij ons is, altijd als wij tot Hem roepen? En welk groot volk is er dat zulke rechtvaardige verordeningen en bepalingen heeft als heel deze wet, die ik u heden voorhoud?

Maar het tegendeel gebeurde. Ze hielden de geboden niet, ontheiligden de sabbat en hun hart trok steeds weer naar de “stinkgoden”. God strafte hen zwaar, maar vernietigde hen niet geheel en al. Steeds ging Hij verder met een “overblijfsel”. Hij waarschuwde ook het nageslacht:

Ezechiël 20:18-20 Ik zei tegen hun kinderen in de woestijn: Ga niet in de verordeningen van uw vaderen, neem hun bepalingen niet in acht en verontreinig u niet met hun stinkgoden. 19. Ik ben de HEERE, uw God: ga in Mijn verordeningen, neem Mijn bepalingen in acht en houd die.  Heilig Mijn sabbatten, zodat ze tot een teken zijn tussen Mij en u, zodat u weet dat Ik, de HEERE, uw God ben.
Als hier gesproken wordt over “hun kinderen” is het duidelijk dat hier de tweede woestijngeneratie wordt bedoeld, die na 40 jaar nog in leven waren.

Zowel gelovigen van Israël als gelovigen uit de heidenen hebben de neiging om te spreken over de “vaderen”, alsof die het altijd bij het rechte eind hadden. De Joden hebben hun “Pirke Avot” (Spreuken der vaderen) en in ons land verschenen boeken met de titel “het geloof der vaderen” . Het Belgisch volkslied begint met deze strofe: “O dierbaar België, o heilig land der vaad'ren, Onze ziel en ons hart zijn U gewijd”.

 In ons land kennen we liederen als God onzer vaad’ren wiens almachtige hand de sterren leidt en ’s hemels bogen spant” en. “Looft Hem als uw vaad'ren deden,” Liedboek 103c vers 2. – “O God, die droeg ons voorgeslacht, in nacht en stormgebruis” Liedboek 397

Natuurlijk zijn er goede vaders en moeders geweest. Maar dat is heel vaak juist niet het geval. Dat hebben we gezien bij Israël, die niet met God de strijd aandurfden tegen de reuzen in Kanaän. (Numeri 14:8-10). Het is dezelfde houding van Gods volk die de oorzaak was van de val van Jeruzalem  en daarom zegt God, bij monde van Ezechiël, tegen de kinderen van Israël:

Ga niet in de verordeningen van uw vaderen, neem hun bepalingen niet in acht en verontreinig u niet met hun stinkgoden. Ezechiël 20:18

Deze waarschuwing is nodig voor iedere nieuwe generatie, ook in onze tijd, waarin zoveel bepalingen geaccepteerd worden die haaks op Gods wet staan.  Misschien is er veel goed te zeggen over onze ouders en zullen ze geen “stinkgoden” aanbidden. Er zijn ouders die werkelijk uit Gods Woord leven. Maar iedere generatie wordt gevormd door een eigen leefklimaat met regels die niet uit Gods Woord komen. Met passies die een bepaalde vorm van afgodendienst kunnen vormen. Neem het niet klakkeloos over en toets alles aan Gods Woord. Dit is een Bijbelse vorm van “resetten”

“Wordt vernieuwd in de geest van uw denken, en bekleedt u met de nieuwe mens, die overeenkomstig het beeld van God geschapen is, in ware rechtvaardigheid en heiligheid. Efeze 4:24

Immers niemand wordt veroordeeld om de zonde van zijn ouders, maar om zijn eigen zonden.

Helaas had deze waarschuwing aan de kinderen niet tot gevolg dat zij zich met een oprecht hart tot God keerden. Integendeel, ze bedreven dezelfde zonden als hun vaderen. Toen, al in de woestijn,  heeft God opnieuw Zijn hand opgeheven, dat wil zeggen “een eed gezworen”,  dat Hij het volk in later tijd onder de heidenen zou verstrooien. En dat is de situatie waarin deze “oudsten” die aan de voeten van Ezechiël luisteren naar Gods boodschap, zich nu bevinden.

Het volk Israël als geheel, heeft in die lange geschiedenis, zich niet bekeerd van de zonden van hun vaderen. Niet toen zij in het “Sierraadland” kwamen, "het land van Melk en Honing" tot nu toe. Het is één lang moeizaam, verdrietig verhaal, met hier en daar enkelingen die de God van Abraham, Izak en Jakob lief hadden en Hem trouw bleven. Van Gods kant bleef Hij trouw aan het Verbond.

Hoe kan het dan dat Jeremia over de woestijntijd spreekt als over wittebroodsweken (Jeremia 2:2)? Net zo als er enkelen zijn die God trouw bleven, waren er ook zo nu en dan hoopvolle momenten waarin het volk zich aan God wijdde, maar al gauw verviel men weer in de oude patronen. Maar YAHWEH gaf de hoop niet op om een volk voor Zijn Naam te vergaderen. 

En dan die raadselachtige teksten uit dit hoofdstuk:

wetten die niet goed zijn?

Ezechiël 20:25,26 Toen heb Ik hun ook verordeningen gegeven die niet goed waren, en bepalingen waardoor zij niet leven zouden. Ik verontreinigde hen door hun eigen geschenken, doordat zij alles wat de baarmoeder opent door het vuur lieten gaan, opdat Ik hen verwoesten zou, zodat zij zouden weten dat Ik de HEERE ben.

Zoiets kan toch niet? God die hen verontreinigde met de offers voor de Moloch? Dit was een gruwel in Gods ogen. Wat zal er door die luisterende oudsten van toen zijn heengegaan toen ze dit alles live uit Ezechiëls mond hoorden….

Iets vergelijkbaars lezen we in het Nieuwe Testament, waar zich de gruweldaad voordeed dat een man sliep met de vrouw van zijn vader:

1 Korinthe 5:3-5 Ik heb, hoewel afwezig met het lichaam, maar aanwezig met de geest, namelijk reeds besloten – alsof ik aanwezig was – om hem die dat zo gedaan heeft, in de Naam van onze Heere Jezus Christus, als u en mijn geest bijeengekomen zijn, in de kracht van onze Heere Jezus Christus, over te geven aan de satan, tot verderf van het vlees, opdat de geest behouden zal worden op de dag van de Heere Jezus.

Hetzelfde lezen we in 1 Timotheüs 1:20. Als een mens niet anders wil zegt God als het ware: Als je dan mijn geboden ten leven niet wilt houden, dan zal Ik je bevestigen in datgene wat je zelf wilt. Je verhardt je. Maar daardoor zul je niet leven.

Dat is ook de geest der dwaling die God in onze tijd stuurt, nu het antichristelijk rijk steeds meer gestalte krijgt:

2 Thessalonicenzen 2:11,12 En daarom zal God hun een krachtige dwaling zenden, zodat zij de leugen geloven, opdat zij allen veroordeeld worden die de waarheid niet geloofd hebben, maar een behagen hebben gehad in de ongerechtigheid.

Ondanks de vele moeiten, opstandigheid, afgodendienst, maar ook momenten van berouw en wederkeer, bracht YAHWEH hen in  Zijn genade naar het Sierraadland, "het Land van Melk en Honing", dat Hij hen met een eed had beloofd. Zijn plan vindt doorgang ondanks het gedrag van mensen.

Nog maar pas aangekomen in "het Land van Melk en Honing"  keken de Israëlieten naar elke hoge heuvel en elk dicht geboomte en brachten daar hun slachtoffers, boden daar hun krenkende offergaven aan, zetten daar hun aangename reukwerk neer en goten daar hun plengoffers uit. Ezechiël 20:28

Het land van de Kanaänieten stond vol met hoge heuvels, aanbiddingsplaatsen voor de afgod Astarte - Hebreeuws ‘asjtèrèt’ -, de dikke bomen werden door de Kanaänieten gezien als de woonplaatsen van goden. In Ezechiël 16:15-34 lazen we over de seksueel getinte religieuze prostitutie, waarbij degene die zich als hoer gedraagt geen loon krijgt, maar zelfs loon betaalt aan degene die ze tot misbruik in staat stelt. De Israëlieten hadden het gebod om de heidense offerplaatsen te vernielen, (Deuteronomium 12:2) beslist niet volledig uitgevoerd. Dit alles was het gevolg van de ongehoorzaamheid aan het gebod bij de inname van het Beloofde Land:

Deuteronomium 20:16 Maar van de steden van deze volken die de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft, mag u helemaal niets wat adem heeft, in leven laten. Voorzeker, u moet hen volledig met de ban slaan: de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, zoals de HEERE, uw God, u geboden heeft,  opdat zij u niet leren handelen overeenkomstig alle gruwelijke dingen die zij voor hun goden gedaan hebben, zodat u tegen de HEERE, uw God, zou zondigen.

Het “door het vuur laten gaan” van eerstgeborenen, het offeren aan de Moloch, wordt maar enkele malen in het Oude Testament vermeld (2 Koningen 21:6; 2 Kronieken 28:3). Omdat dit in de Bijbel zo vaak en sterk wordt veroordeeld, bestaat het vermoeden dat dit veel vaker is voorgekomen.  Onder de hervormingen van de gelovige koning Josia zijn de afgodische praktijken uitgedelgd. Hij zorgde er ook voor dat het in Tofet, in het Ben-Hinnomdal niet meer mogelijk was dat de inwoners hun zoon of dochter door het vuur lieten gaan, zodat de mensenoffers werden afgeschaft.  2 Koningen 23:10. 

Dit was zo ongeveer 35 jaar eerder gebeurd voordat Ezechiël dit uitsprak voor de oudsten.  Helaas gingen zijn zonen en kleinzoon die hem opvolgden, niet in zijn voetsporen en voerden een goddeloos bewind. “Zij deden wat kwaad is in de ogen des HEEREN”.

In Ezechiël 20:34 lezen we dat God Zijn volk uit de ballingschap zal bijeenvergaderen zoals Hij dat in Egypte deed. De vervulling van deze belofte is nu in de beginfase. Er zal een massale uittocht komen.  Het zal opnieuw blijken dat het een overblijfsel is dat het Koninkrijk van God mag binnengaan. God is vast besloten om Zijn plan met Israël tot een goed einde te brengen…….. voorwaar, met sterke hand, met uitgestrekte arm en met uitgestorte grimmigheid zal Ik over u regeren! Ezechiël 20:33

Wij mensen zijn niet door God geschapen om onze eigen doeleinden na te jagen en mee te doen met de wereld, wiens goedkeuring we denken nodig te hebben. We zijn niet op aarde om datgene te doen waardoor we aanzien en eer bij onze medemensen verkrijgen. Op die manier worden we gevangen in het net van de satan.  Dat is de zonde van alle mensen. God wil dat we voor Hem leven. Zo’n leven wil Hij rijk zegenen.  

Zoals de Israëlieten de afgoden van Egypte en Kanaän overnamen, zo zullen ze ook in de tijd van Ezechiël,  de afgoden van Babel omarmen. “Doe dat maar” zegt God….. Dat is dan zo’n niet goed gebod waarvan in Ez. 20:25 sprake was…. “Doe dat maar, ga maar naar je stinkgoden, je wilt immers niet anders, maar gebruik Mijn Naam niet daarbij, want die ontheilig je op die manier”.

Dan zien we het beeld van de herder die de schapen ’s avonds bij de schaapskooi onder zijn staf laat doorgaan, om ze te tellen en te controleren of het echt zijn schapen zijn.

Dit gebruik komen we op meerdere plaatsen in de Bijbel tegen:


Leviticus 27:32 En alle tienden van runderen en kleinvee, van alles wat bij de telling onder de staf doorgaat, het tiende is heilig voor de HEERE.

Jeremia 33:13 In de steden van het Bergland, in de steden van het Laagland, in de steden van het Zuiderland, in het land van Benjamin, in de omstreken van Jeruzalem en in de steden van Juda zullen de kudden weer onder de handen van de teller doorgaan, zegt de HEERE.

Zo selecteert de Grote Herder de schapen en zuivert de opstandige schapen er tussen uit, om Zijn eigen heilige kudde in de schaapskooi van het Verbond te brengen. In de woestijn van de volken zal God met Zijn volk in het gericht gaan.

Deze tweede exodus is bedoeld om  uitdrukking geven aan YAHWEH's heiligheid in de ogen van de volken (Ezech. 20:41). 

Dit zal pas werkelijkheid worden als Zijn volk berouw toont en zich opnieuw aan God wijdt, als men dan ook trouw blijft en volhardt ondanks de onderdrukking van de ballingschap. Totdat God hen gevormd heeft naar Zijn eeuwig voornemen en zij zullen mogen wonen in het Land dat hun vanouds is toegezegd.

Dan komt weer het andere beeld naar voren: Gods Heilige Berg, waar Hij begeert te wonen bij Zijn volk. Daar zal Hij samen zijn met Zijn volk dat Hem uit liefde wil eren en dienen.  Daar zal Hij hefoffers van hen vragen. Waarschijnlijk houden deze hefoffers het voor de priesters bestemde grondgebied in, zoals dat in Ezechiël 48:8 e.v. verder wordt uitgewerkt. Gods volk is dan immers definitief op het vanouds beloofde grondgebied gebracht.

Nu is het tijdperk van het Vrederijk, het Koninkrijk van God aangebroken. Een heerlijk vooruitzicht dat geschilderd wordt in een hoofdstuk waarin zoveel zondige afgodendienst ter sprake kwam. Hier zijn ze op het grondgebied dat God hen al in Egypte onder ede heeft beloofd, waarvoor Hij Zijn hand had opgeheven.

Ja, dan zal Israël beseffen hoe ze in zondige blindheid heeft geleefd, en ze zullen zich schamen voor hun oude leven.  Ervan “walgen” staat er zelfs in Ezechiël 20:43. Tegelijk gaan hun ogen open voor de onmetelijke genade omdat God ons niet doet naar onze zonden. Het deel van het volk Israël, dat na de 70 jarige ballingschap in Babel, naar hun land terugkeerde, heeft inderdaad begrepen dat, het die straf van de ballingschap had verdiend.  Dat zien we o.a. aan wat Ezra uitsprak:|

Ezra 9:6,7 En ik zei: Mijn God, ik ben te zeer beschaamd en te schande geworden om mijn gezicht tot U op te heffen, mijn God, want onze ongerechtigheden zijn talrijk geworden, tot boven ons hoofd, en onze schuld is groot geworden tot aan de hemel.  Vanaf de dagen van onze vaderen zijn wij in grote schuld tot op deze dag, en door onze ongerechtigheden zijn wij overgegeven, wij, onze koningen en onze priesters, in de hand van de koningen van de landen rondom, aan het zwaard, aan gevangenschap en aan plundering en openlijke schande, zoals op deze dag.

Dit alles geldt ook ons die deel zijn geworden van Gods Verbondsvolk. Dan zullen we weten dat Hij YAHWEH is, die een vergevend God is, rijk aan erbarmen en een God van gerechtigheid.

De laatste vijf verzen van Ezechiël 20 vormen een nieuw onderwerp. In de Hebreeuwse Bijbels en in de grondtekst, zijn deze verzen te vinden onder hoofdstuk 21. De “oudsten” van de ballingen zitten nu niet meer aan zijn voeten. Hoe lang zullen ze het volgehouden hebben om al deze moeilijke zaken aan te horen?

De volgende opdracht was gericht aan het Mensenkind (Ben Adam) Ezechiël:

Ezechiël 20:46 Mensenkind, richt uw gezicht in de richting van het zuiden, laat uw woorden naar het zuiden stromen en profeteer tegen het woud van het veld van het Zuiderland.

De vraag is dan vanuit welke positie moet Ezechiël naar het zuiden kijken? En wat is geografisch gezien de plek waarop hij zich moet richten?

In die tekst staat “het zuiden” op 3 verschillende manieren vertaald:

Ezechiël 20:46 Mensenkind, richt uw gezicht in de richting van het zuiden (Timnah of Teman תֵּימָנָה), laat uw woorden naar het zuiden (darom דָּרוֹם) stromen en profeteer tegen het woud van het veld van het Zuiderland (Negev נֶגֶב ).

Ik heb gelezen dat het joodse land In oudtestamentische tijden veel bosrijker was, zodat ‘het woud van de Negev’ geen beeldspraak is.  Het “woud van de Negev” moet luisteren naar het Woord van God.

“Hoor het woord van de HEERE! Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal een vuur in u aansteken, dat in u elke jonge boom en elke dorre boom verteren zal. De uitslaande vlam zal niet doven, daardoor zullen alle gezichten van zuid tot noord geblakerd worden”. Ezechiël 20:47

Bij deze tekst staat een verwijstekst naar:

Lukas 23:31 Want als zij dit doen met het groene hout, wat zal er dan met het dorre gebeuren?

Het laat zien dat zowel de rechtvaardige als de onrechtvaardige door dit vuur van oordeel moeten gaan. Voor de onrechtvaardige is dit een vuur dat oordeel uitdrukt en voor de rechtvaardige zal het een reinigend vuur zijn.  En dit bepaalt ons weer bij wat Paulus schrijft in 1 Korinthe 3:11-15.
en bij:
Wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden, geen vlam zal u aansteken. Jesaja 43:2b

In die tekst van Jesaja 43:2 biedt God Zijn bescherming als Zijn kinderen vervolgd worden. Maar hier zullen de ballingen begrijpen dat dit vuur als straf van God komt, het is door Hem aangestoken. Ze zullen weten dat Hij YAHWEH is! Geen brandweer of blusvliegtuig zal dit kunnen doven.

In het laatste vers van dit hoofdstuk verzucht Ezechiël:  “Ach Adonai YAHWEH, zij zeggen toch al van mij: Is hij niet iemand die in raadselen spreekt?” Ezechiël 20:49

Ezechiël weet al dat de mensen dit niet willen horen en dat ze zich zullen afsluiten voor deze woorden. Dat maakt het extra moeilijk voor een profeet om toch deze boodschap van God uit te spreken.  Vandaar dat zijn klacht begint met “ach” (אֲהָהּ  ahah). Deze profetie was opnieuw een aankondiging van het oordeel over Jeruzalem dat door vuur verwoest zou worden, hetgeen in 586 v.Chr. inderdaad heeft plaatsgevonden.

Ook wij kennen in onze tijd de houding van ongeloof als we spreken over het oordeel dat over de aarde komt. Men wil alleen positieve boodschappen horen van onze valse profeten,  ook al zijn het leugens. Leugens die op de preekstoel als zegenrijk worden aangeprezen. Het lijkt gemakkelijker de goed klinkende oplossing van de vijand op te volgen, die juist de ondergang tot gevolg heeft.  Zo wordt de Waarheid van Gods Woord, die ten leven is, genegeerd.

Maar God zegt herhaaldelijk door de mond van Ezechiël: “Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben”