English & other languages: click here!

Ezechiël 29 - Het oordeel over Egypte

Nadat in de vorige hoofdstukken de oordelen werden uitgesproken over Israëls buurlanden: Ammon, Moab, Edom, de Filistijnen/Kretenzen, Tyrus en Sidon richt Ezechiël zich nu namens God op Egypte. Deze profetieën met betrekking tot Egypte nemen vier hoofdstukken in beslag, namelijk 29 t/m 32.

De profetie in dit deel is in Ezechiël 29:17 gedateerd in het jaar 571 v.Chr.  De hoofdstukken zijn niet helemaal chronolisch samengesteld. Dit deel is plm. 16 jaar later geschreven dan de profetieën rondom de val van Jeruzalem. Zie onderstaand overzicht. 

Het bestaan en de zelfstandigheid van Israël was sterk onderhevig aan de politieke ontwikkelingen van de buurlanden. Hierin spelen ook de grotere rijken een rol: Assyrië, Babel, Egypte en Perzië. Het oordeel van God over deze landen is geheel in lijn met het oordeel over de volken, wat beschreven is in Mattheüs 25:21-46. De vraag van Yeshua is dan: “wat heb je met Mijn minste broeder gedaan….. want dat heb je met Mij gedaan”.

Met deze oordelen laat God zien dat Hij de gang der volken bepaalt. De omringende machten voelen zich superieur aan dat volk Israël en daarmee zelfs aan de God van dat Israël.  Hun welvaart bevestigt hen in dat superioriteitsgevoel, maar de profeten doorzien daarin de werkwijze van satan.  

In dit hoofdstuk lezen we tweemaal een datering. 12 Tevet (dec./jan.) 587 v. Chr. en vanaf Ezechiël 29:17 lezen we de datum: 1 Abib (2 april) 571 v. Chr. Daar zit 17 jaar verschil tussen. Dat tweede gedeelte is er tussen gelast, want hoofdstuk 30 is weer op 7 Abib van het jaar 587 v.Chr. gedateerd. 

Ezechiël, opnieuw “Mensenkind” genoemd, moet zijn geestelijke blik vanuit Babel op Egypte richten. De profetie is gericht tegen de Farao, de koning van Egypte, die vergeleken wordt met een groot zeemonster, dat in het midden van de Nijlstromen ligt. Deze vergelijking doet denken aan de koning van Tyrus in Ezechiël 28:2, die zijn zogenaamde “goddelijke zetel” in het midden der zeeën had. 

Ik zal u neerwerpen, woestijnwaarts, op het open veld zult u vallen. Ezechiël 20:5

Het is ook het beeld dat beschreven wordt in Openbaring 17:15, waar staat dat met de wateren de volkeren bedoeld worden waarover geheerst wordt.

Ezechiël 29:3 Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál u, farao, koning van Egypte, groot zeemonster (hier staat tannin תַּנִּים “), dat in het midden van zijn rivieren ligt, dat gezegd heeft: Mijn Nijl is van mij en ik heb die zelf voor mij gemaakt!

Ook Ezechiël 32:2 heeft het over de Farao als zeemonster.

Er is hier sprake van een “tannin תַנִּין”, oftewel een reptiel. De oude Statenvertaling vertaalt het met "draak" of “Leviathan”. Het woord “tannin תַנִּין” Strong H8577 komt overeen met een krokodil of een monsterlijk zeedier.

In de tijd waarin deze profetieën geopenbaard werden speelde er een enorme machtstrijd tussen de keizerrijken aan de Nijl en aan de Eufraat. Omdat Israël daar tussenin zijn woongebied heeft had dit voor hen gevolgen. We kunnen hierover lezen in 2 Koningen 18:21; Jesaja 20:5 en Jeremia 37:5-10. Om de achtergrond van dit alles te begrijpen is het ook heel goed om de Jaïr studie over Jeremia 46 te lezen.

De farao die regeerde op het moment dat Ezechiël deze profetieën opschreef, was Hofra (troonnaam) of Apriës (geboortenaam). Deze vertoonde dezelfde kenmerken als zijn voorgangers en dus ook de farao ten tijde van de uittocht van Egypte. Zij zagen zichzelf als goden in mensengedaante. Dat zijn antichristelijke kenmerken.

We zien hier dat, net zoals bij de profetie over Tyrus, het gaat om het Egyptische vorstenhuis door de tijden heen. In Ezechiël 29:4 is sprake van vissen uit de rivieren die kleven aan de schubben van het zeemonster. Hiermee worden de volgelingen van deze despoot bedoeld. 

Yahweh zal haken in de kaken van het zeemonster slaan, en daarmee het beest uit de Nijl, waarvan hij zei dat hij die zelf gemaakt had, trekken.  Op het droge zal hij sterven en voedsel worden voor aaseters. Een smadelijke dood voor iemand die zich goddelijk waande. En de reden voor dat oordeel wordt duidelijk vermeld: “wat heb je met Mijn minste broeder gedaan?    …..omdat je voor het huis van Israël een rietstaf bent geweest, een onbetrouwbare steun!

Jesaja had Israël er al voor gewaarschuwd niet op Egypte te vertrouwen:
Zie, u vertrouwt op die geknakte rietstaf, op Egypte. Maar als iemand daarop leunt, dringt hij in zijn hand en doorboort die. Zo is de farao, de koning van Egypte, voor allen die op hem vertrouwen. Jesaja 36:6.

De farao is in de Bijbel bij uitstek een beeld van de antichrist. Het is een samensmelting van politiek en religie. Een waarschuwing voor ons om NIET op politieke en kerkelijke machten te vertrouwen.  Als God oordeelt zullen degenen die op hen vertrouwen delen in dat oordeel, net zo als de vissen op de schubben van het zeemonster. 

Openbaring 17:1-2 En een van de zeven engelen die de zeven schalen hadden, kwam en sprak met mij en zei tegen mij: Kom, ik zal u het oordeel over de grote hoer laten zien, die aan vele wateren zit. Met haar hebben de koningen van de aarde hoererij bedreven, en de bewoners van de aarde zijn dronken geworden van de wijn van haar hoererij.
Openbaring 17:15. En hij zei tegen mij: De wateren die u gezien hebt, waaraan de hoer zit, zijn volken, menigten, naties en talen.

Het oordeel over Egypte hield ook in dat het land een puinhoop zou worden vanaf Migdol tot Syene, tot aan de grens met Cusj (= Ethiopië). Deze plaatsbepaling geeft de uiterste noord- en zuidgrens aan. Syene is Aswan, bij de eerste waterval van de Nijl. Verder werd geprofeteerd dat Egypte 40 jaar onbewoond zou blijven.  

Omdat er in Jeremia 46:19 staat: “Pak uw boedel bij elkaar voor de ballingschap..... het zal vernietigd worden, zodat er geen inwoner meer is”, vermoed ik dat dit niet lang daarna heeft plaatsgevonden. Ook deze tekst lijkt dat te bevestigen:

Jeremia 46:26 Ik zal hen geven in de hand van hen die hen naar het leven staan, zowel in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, als in de hand van zijn dienaren. Maar daarna zal zij bewoond worden als in de dagen van weleer, spreekt de HEERE.

Dit wordt ook door Flavius Jozefus bevestigd in zijn boek Oudheden,10.9,5-7 waarin hij spreekt over de verovering van Nebukadnezar van Egypte. Jeremia was in die tijd in Egypte. Na de verwoesting van Jeruzalem werd  Gedalja twee maanden later vermoord (Jeremia 43:1-7) Een aantal Judeeërs vluchtte naar Egypte. Jeremia wordt met zijn secretaris Baruch tegen zijn zin in meegevoerd naar Tahpanhes (dichtbij Memphis/Nof en Migdol). (Jeremia 46:14) Daar profeteerde hij dat Nebukadnezar Egypte zou binnenvallen en straffen. ( Jeremia 43:8-11 ).

Hij profeteert een gelijktijdige vernietiging van Tahpanhes en andere Egyptische steden (waarschijnlijk bezet door voortvluchtige Joden) wanneer Nebukadnezar hen zal slaan  Zie Jeremia 43:8-13.  

In de algemene geschiedenis is dit niet vermeld.  Wel wordt beschreven dat er een opstand in het Egyptische leger was, die Hofra met zijn generaal Amasis wilde onderdrukken. Hij leed een nederlaag bij Cyrene, waarna Amasis zich tot farao liet uitroepen en hij Hofra overgaf aan de volkswoede, wat zijn dood betekende. 

 

Opgravingen bevestigen de geschiedenis uit de  Bijbel, zoals blijkt uit het hiernaast getoonde kleitablet, dat ook precies het jaartal weergeeft.

 

Het laatste gedeelte van Ezechiël 29 spreekt heel duidelijk over die verovering van Egypte door Nebukadnezar. Sinds het koningshuis van David door ongehoorzaamheid ten einde was gekomen heeft God Nebukadnezar benoemd tot het “gouden hoofd” over de heidenen. Dit schreef Daniël in opdracht van God toen hij de betekenis van het beeld van de wereldrijken uitlegde:
Daniël 2:37-38 U, o koning, bent een koning der koningen, want de God van de hemel heeft u het koningschap, macht, sterkte en eer gegeven. Overal waar de mensenkinderen wonen, heeft Hij de dieren van het veld en de vogels in de lucht in uw hand gegeven. Hij heeft u aangesteld tot heerser over dit alles. U bent dat gouden hoofd.

Nebukadnezar moest de oordelen van God uitvoeren, te beginnen met de verovering van Jeruzalem en vervolgens de buurlanden van Israël. Nebukadnezar was ook geroepen om Tyrus te veroveren. Het beleg duurde dertien jaar. Door het langdurige dragen van de helmen werden de hoofden van de soldaten kaal. Door het voortdurend aandragen van belegeringswerktuigen hadden de schouders schaafwonden. Het loon van zo’n militaire operatie was de buit die daarbij te behalen was. Door de ligging van Tyrus in de zee lukte dat niet zo goed en kon Nebukadnezar de soldaten niet naar behoren betalen. Later is dat karwij afgemaakt door Alexander de Grote die, van het puin dat Nebukadnezar achterliet, een dam liet aanleggen tussen Tyrus en het vaste land.

In dat licht kunnen we de volgende afsluitende verzen van Ezechiël 29 begrijpen:

Ezechiël 29:18-20 Mensenkind, Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft zijn leger zwaar werk laten verrichten tegen Tyrus. Elk hoofd is kaalgeschoren en elke schouder kapotgeschaafd. Hij en zijn leger hebben van Tyrus echter geen loon gekregen voor het werk dat hij daartegen verricht heeft. Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga Nebukadrezar, de koning van Babel, het land Egypte geven. Hij zal zijn overvloed wegvoeren, zijn roofgoed plunderen en zijn buit roven. Dat zal het loon zijn voor zijn leger. Als zijn arbeidsloon heb Ik hem, omdat hij zwaar werk daartegen verricht heeft, het land Egypte gegeven, omdat zij het voor Mij gedaan hebben, spreekt de Heere HEERE.
Het is duidelijk dat Nebukadnezar een instrument in Gods hand was om Zijn oordelen uit te voeren. Dan zou Hij de verbannen Egyptenaren terugbrengen naar Boven (zuidelijk) Egypte (vers 14), maar ze zouden nooit meer een machtige natie worden. 

Zo kunnen ook de rijken die na dat gouden hoofd kwamen door God voor dat doel gebruikt worden, We weten dat het laatste rijk bijzonder wreed en kwaadaardig zal zijn. We zien de voortekenen al in werking treden. Wat is het dan goed om ons geestelijk en fysiek af te scheiden van de wereld met zijn goddeloze werken en in de Schuilplaats van de Allerhoogste te verblijven.

Dan rest er nog één belangrijke tekst van dit hoofdstuk die onze aandacht vraagt:


Ezechiël 29:21 Op die dag zal Ik voor het huis van Israël een hoorn doen opkomen en zal Ik u in hun midden een geopende mond geven. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.

Het is een aanvulling op de profetie voor Israël die aan het eind van het vorige hoofdstuk werd gegeven:

Ezechiël 28:25-26 Zo zegt de Heere HEERE: Als Ik het huis van Israël bijeengebracht heb uit de volken waaronder zij verspreid zijn, en Ik door hen voor de ogen van de heidenvolken geheiligd word, dan zullen zij in hun land wonen, dat Ik Mijn dienaar Jakob gegeven heb. Zij zullen er onbezorgd wonen, huizen bouwen en wijngaarden planten. Ja, zij zullen er onbezorgd wonen, zodra Ik strafgerichten heb voltrokken aan allen die hen verachten onder hen die hen omringen. Dan zullen zij weten dat Ik, de HEERE, hun God ben.

Met de uitdrukking "op die dag" wordt de oordeelsdag van de volken bedoeld, die de redding van Israël voortbrengt. Yahweh zal voor Israël een "hoorn" doen opkomen. Een hoorn verwijst in de Bijbel naar "kracht". (1 Samuel 2:1;  1 Koningen 22:11; Jeremia 48:25). Van die hoorn zingen de psalmen:

Psalm 132:17-18 Daar zal Ik voor David EEN HOORN doen opkomen en voor Mijn gezalfde een lamp gereedmaken.

En Zacharia zingt ervan:
Lukas 1:69-70 En Hij heeft EEN HOORN VAN ZALIGHEID voor ons opgericht in het huis van David, Zijn knecht,  zoals Hij gesproken had bij monde van Zijn heilige profeten, die er door de eeuwen heen geweest zijn.

YESHUA, DE HOORN VAN ZALIGHEID, DE HOORN VAN REDDING,

OPGERICHT IN HET HUIS VAN DAVID.

 

en dan het steeds terugkerende refrein van Ezechiël die namens Yahweh spreekt: 

 

Dan zullen zij weten dat Ik YAHWEH ben.