English or other languages: click here!

Ezechiël 17 Gelijkenis van de twee arenden en de wijnstok

We hebben in Ezechiël al vaker gezien dat Ezechiël de profetieën die hij van YAHWEH ontving op bijzondere manieren aanschouwelijk moest maken voor de ballingen die met hem in Babel (Tel Abib) verbleven.

In de verzen 1 tot en met 10 van hoofdstuk 17 is het een raadsel en een gelijkenis waardoor het oordeel over Jeruzalem bekend wordt gemaakt. Het woord “raadsel” houdt hier in dat de boodschap “raadselachtig” is verpakt. Het raadsel is ook een gelijkenis en dat houdt in dat tastbare beelden vragen om een geestelijke toepassing. Die toepassing zal God in het vervolg van het hoofdstuk Zelf bekend maken. Ezechiël wordt hier weer aangesproken met “ben Adam” dat vertaald kan worden met “mensenkind”, of “zoon des mensen”. De ballingen hadden veel profetieën van valse profeten geloofd, die beloofden dat ze spoedig weer naar Jeruzalem zouden kunnen terugkeren. Zo’n valse profeet was bijvoorbeeld Hananja, wiens bedrieglijke boodschap we kunnen lezen in Jeremia 28:1-4. Niettemin was God er veel aan gelegen dat Zijn volk de waarheid te horen zou krijgen, zodat men Hem weer ging vertrouwen. Dat is de reden waarom Ezechiël zijn profetieën op zoveel verschillende manieren moest overbrengen.

Het “raadsel” wordt haast poëtisch beschreven. Met die eerstgenoemde grote veelkleurige arend wordt Nebukadnezar, de koning van Babel, bedoeld. De slagpennen en machtige vleugels onderstrepen de wereldlijke grootheid van deze machthebber die Juda en Jeruzalem zou innemen. Deze machtige vorst kwam naar de Libanon en nam daar de kruin van een ceder mee. Wel vreemd om te lezen dat hij naar de Libanon ging, want in werkelijkheid was het Jeruzalem. Het is de raadselachtige beschrijving van het paleis van de achttienjarige koning Jojachin, indertijd gebouwd door koning Salomo. Koning Salomo gebruikte heel veel cederhout voor de tempel, maar had het ook nodig voor de bouw van een paleis. In 1 Koningen 7 lezen we hoe zijn paleis een troonzaal had, die 50 meter lang en 15 meter hoog was. Daarin zette hij lange rijen cederen zuilen, waardor deze zaal  ‘Het Woud van Libanon’ genoemd werd. 

1 Koningen 7:2 En hij bouwde het huis van het Woud van de Libanon, honderd el in zijn lengte, vijftig el in zijn breedte en dertig el in zijn hoogte, met vier rijen van cederhouten pilaren, en cederhouten balken op de pilaren.

De stad Jeruzalem werd door Nebukadnezar overmeesterd en belegerd. Het wegnemen van de kruin van de ceder zou je kunnen vergelijken met het toppen van een boom, waarover op internet staat vermeld: “Een vakkundig boomverzorger zal nooit adviseren om bomen te toppen. Een getopte boom heeft last van stress, en kan enkele jaren na het toppen omvallen, omdat het wortelstelsel evenredig afsterft”.  Het was dan ook menselijk gezien de doodsteek voor de dynastie van koning David.

Tot de “top van de ceder” behoorden ook de aanzienlijken uit Jeruzalem: belangrijke mensen die Nebukadnezar wel kon gebruiken ter meerdere glorie van zijn rijk. Het jonge takje, de kruin van de ceder, die meegenomen werd door de grote arend, was dus koning Jojachin.

Nadat Nebukadnezar koning Jojachin in het jaar 597 v.Chr. had meegenomen naar Babel, stelde hij geen Babylonische heerser over Juda in zijn plaats, maar een oom van Jojachin, die ook uit het koningsgeslacht van David was. Dat was Zedekia die zijn naam van Nebukadnezar had gekregen. Deze naam had een mooie betekenis “Yahweh is mijn rechtvaardigheid”. Hij heette vóór die tijd Mattanja. Zedekia verving dus in opdracht van Nebukadnezar koning Jojachin die nog maar drie maanden in Jeruzalem had geregeerd en kwaad deed in de ogen van YAHWEH.

Nebukadnezar begreep dat het beter voor het volk was als een lid van het huis van David koning zou zijn, maar dan wel onder zijn verantwoordelijkheid. Hij had Juda als een deel van zijn rijk onder leiding van Zedekia tot bloei willen brengen en was het volk goed gezind. Zedekia had onder ede trouw beloofd aan Nebukadnezar. De profeet Jeremia was al vaker naar Zedekia gegaan en had hem de raad gegeven zich aan Nebukadnezar te onderwerpen. Alleen in die weg zou hij mogen rekenen op de hulp en de zegen van God. Maar Zedekia wilde daar niets van horen en liet Jeremia gevangen nemen. Hij wilde, ondanks de belofte die hij onder ede had uitgesproken, zich toch losmaken van Nebukadnezar en zelf de touwtjes in handen hebben.

Zedekia had daarom een bondgenootschap met Egypte gezocht en dat was de oorzaak dat Nebukadnezar Jeruzalem opnieuw belegerde. Maar toen het leger van Egypte kwam om Zedekia te hulp te komen, trok het Babylonische leger zich terug. Dat was het moment dat Zedekia en Jeruzalem dachten dat hun doel “zelfstandig te zijn” zou slagen en ze kregen weer moed. Maar het was niet goed in de ogen van YHWH. Gods Naam wordt ontheiligd als een verbond, in Zijn Naam gesloten, verbroken wordt. Egypte is in deze parabel de tweede arend. Zedekia is het zaad wat in vers 5 bedoeld wordt.

Hij werd gezaaid op een gunstige, vruchtbare plaats en groeide uit tot een wijnstok. Maar het werd de wijnstok zoals die in hoofdstuk 15 beschreven werd een wijnstok waarvan de vruchten niet deugden en het hout in Gods ogen nutteloos was. Dit slaat op zijn koningschap in Israël, waarin hij, ondanks zijn onderworpen positie, redelijk voorspoedig was. Dat wordt uitgedrukt met “breed uitgroeiend”, hij kreeg ranken en uitlopende twijgen en het was de bedoeling dat hij dit voor Nebukadnezar deed. 

Dat wordt in vers 6 uitgedrukt met “zodat zijn takken naar de grote arend gericht zouden zijn”.

Maar….. er is nog een arend: de Farao van Egypte. Zedekia zoekt bevrijding van zijn juk bij Egypte en is niet op Nebukadnezar/Babel gericht. Hij zocht zijn bevloeiing bij die andere grote arend met prachtige volle vleugels en richtte zich daarop. Hij dronk niet van het water uit het veld waarin hij geplant was, waardoor hij gezegend zou worden. Wat had hij een prachtige wijnstok kunnen worden en veel vrucht kunnen voortbrengen.

Maar die tweede grote arend: Farao Hophra van Egypte komt niet te hulp als het erop aan komt en de straf van Nebukadnezar volgt. De stad wordt in 586 v.Chr. verwoest, mensen worden gedood. Het overblijfsel wordt in ballingschap gevoerd. Zo heeft de Heere het geopenbaard via Zijn profeten. Hij bestuurt de geschiedenis.

Vanaf vers 9 laat God weten hoe Hij de gebeurtenissen ziet.  Alle pogingen van Zedekia om de gunst van de andere arend te verwerven zullen hem mislukken. Als wijnstok zal hij van zijn wortels beroofd worden. Hij zal als plant verdorren. Hij bereikt niet de gewenste autonome regeringsvorm, geen nageslacht. Door de oostenwind (Babel) in vers 10 zal hij te pakken worden genomen. Hij gaat zijn ondergang tegemoet. Met Zedekia zou het Israëlische koningschap verdorren, hij was de laatste koning in Israël uit het geslacht van David.

En dan vanaf vers 11 maakt God aan Ezechiël de betekenis van deze parabel duidelijk, zodat hij dat aan de ballingen bekend kan maken. Het was de bedoeling van Nebukadnezar dat het koninkrijk Juda van weinig betekenis zou zijn in de wereld, omdat het ondergeschikt bleef aan Babel. Daarmee was Zedekia akkoord gegaan in het verbond dat hij met Nebukadnezar onder ede had gesloten. Maar intussen had hij met de grote arend Farao Hophra van Egypte geregeld dat hij manschappen en paarden zou krijgen om Nebukadnezar te bestrijden.

In oude tijden werd in het Midden-Oosten een verbond gesloten door dieren te slachten, waar de bondgenoten midden door gingen. Dit betekende dat als één van de verbondspartners de belofte zou breken, deze eenzelfde lot zou moeten ondergaan als de dieren die geslacht waren.  Dit zelfde teken gebruikte God in Zijn verbond met Abraham Genesis 15:7-21. Daar ging het echter om een éénzijdig verbond.  Zedekia en allen die met hem tussen de stukken waren doorgegaan hadden dit voor Gods aangezicht gedaan. 

God nam het Zedekia erg kwalijk dat hij Zijn Naam had ontheiligd door dit verbond te schenden. Hij zei tegen Ezechiël:

Hij heeft de eed veracht door het verbond te verbreken, en zie, hij had zijn hand erop gegeven! Nu hij dit alles gedaan heeft, zal hij niet ontkomen.  Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zo waar Ik leef, voorwaar, Ik zal Mijn eed die hij veracht heeft en Mijn verbond dat hij verbroken heeft, op zijn hoofd doen neerkomen! Ik zal Mijn net over hem uitspreiden, zodat hij in Mijn vangnet gevangen raakt. Ik zal hem naar Babel brengen en daar met hem een rechtszaak voeren over zijn trouwbreuk, die hij tegenover Mij gepleegd heeft. En allen die onder al zijn troepen gevlucht zijn, zullen door het zwaard vallen en de overgeblevenen zullen naar alle windstreken verspreid worden. Dan zult u weten dat Ík, de HEERE, gesproken heb. Ezechiël 17:18-21.

Nee, Zedekia zou niet aan het oordeel ontkomen, al probeerde hij nog te vluchten. God zal hem ook naar Babel brengen en hij zal dat land niet eens kunnen zien, want zijn ogen zullen worden uitgestoken. Zedekia werd gedwongen de executie van zijn zonen te zien, voordat hem de ogen werden uitgestoken.  Hij werd geketend overgebracht naar Babel.  Hiermee gaf God inhoud aan de naam die hem door Nebukadnezar was gegeven: “YAHWEH is mijn rechtvaardigheid”.  

Zedekia is een voorbeeld voor alle machthebbers in alle tijden die, onder ede en zich beroepend op hun macht bij de gratie van God,  onrechtvaardig hebben gehandeld. Zij zullen onder het oordeel vallen als zij zich niet bekeren. En allen die zulke lieden trouw blijven zullen delen in dat oordeel. En hoeveel mensen zullen de wereldse machthebber bij uitstek: de antichrist trouw zijn, als de Bijbel ons zegt: “En de hele aarde ging het beest met verwondering achterna.” Openbaring 13:3b.

Psalm 2:12 Kus de Zoon, opdat Hij niet toornig wordt en u onderweg omkomt, wanneer Zijn toorn slechts even ontbrandt. Welzalig allen die tot Hem de toevlucht nemen!

De parabel wordt afgesloten met een hoopvolle belofte in de laatste drie verzen van dit hoofdstuk. Het geprofeteerde beeld krijgt nu een troostende wending: de Davidische dynastie zal worden hersteld, in het land Israël. Dit zal gebeuren aan het eind van deze wereldgeschiedenis, als het Koninkrijk van God zich baan breekt.

Nu is het geen arend, maar YAHWEH Zelf die een stekje van de top van die hoge ceder zal afnemen, een jonge loot, een Twijgje en Hij zal deze planten op de berg Sion. Het Twijgje wordt een grote boom: vogels nestelen erin en andere, kleinere bomen (de mensen) kijken bewonderend naar de machtige ceder. De kleinere bomen die in het veld groeien, niet op de berg, zoals de ceder, zullen zich realiseren dat de hand van God dit heeft gedaan: Hij doet bomen groeien of verdorren, het hangt van Zijn oordeel en Zijn goddelijk plan af. Hij bepaalt dat Yeshua de Messias de Vredevorst is op de troon van David, het Lam van God op de berg Sion:

Jesaja 11:

1 Want er zal een Twijgje opgroeien uit de afgehouwen stronk van Isaï,

 en een Loot uit zijn wortels zal vrucht voortbrengen.

  1. Op Hem zal de Geest van de HEERE rusten:

  de Geest van wijsheid en inzicht,

de Geest van raad en sterkte,

de Geest van de kennis en de vreze des HEEREN.

 

 

Zie in dit verband ook de studie over Ezechiël 12 en Jeremia 34