English & other languages: click here!

Ezechiël 44 - de priesters in het Vrederijk

De poort was gesloten

Het hoofdstuk begint met:

Ezechiël 44:1 Toen bracht Hij mij terug via de poort van het buitenste heiligdom die naar het oosten gekeerd was, maar die was gesloten.

De mensen die binnenkomen gaan via het noorden en het zuiden naar binnen, maar door de Oostpoort mogen ze niet naar binnen komen. Men mag ook niet in de binnenhof komen, dat is alleen aan de priesters van Zadok toegestaan. De Levieten mogen hier zelfs niet komen. Die Oostpoort van de binnenhof is ook dicht. Daar mogen de priesters ook niet doorheen. De priesters gaan dus door de noordpoort en de zuidpoort naar de binnenhof. Dit ligt iets hoger. Er zij 7 treden om onhoog te gaan om bij de buitenste voorhof te komen,  Heiligheid wordt met het getal 7 aangeduid. Er zijn drie trapjes van 7 treden bij de drie buitenste poorten. De toegang tot de binnenhof gaat via een trapje van 8 treden. Dat is ongeveer 1,50 – 1,80 m hoog. De drie binnenpoorten hebben 8 treden, 3 x 8 verwijst naar Yeshua (888). (Eze 40:26 en 31)

Toen bracht Hij mij terug....

Opvallend is dat er nu niet meer gesproken wordt over “De Man”, zoals in de vorige hoofdstukken. Ezechiël wordt door zijn Begeleider teruggebracht naar de Oostenpoort. Maar die poort zat dicht, deze was gesloten. De poort kon ook dicht blijven, want alleen YAHWEH mocht daardoor en Hij had verklaard:

“DIT IS DE PLAATS VAN MIJN TROON EN DE PLAATS VAN MIJN VOETZOLEN, WAAR IK VOOR EEUWIG WONEN ZAL ONDER DE ISRAËLIETEN”.  (Eze 43:7)

Het volgende vers roept vragen op:

Ezechiël 44:3 Wat de vorst betreft, de vorst, alleen hij mag erin zitten om brood te eten voor het aangezicht van de HEERE. Via de voorhal van de poort mag hij binnenkomen en via dezelfde weg naar buiten gaan.

Wie is die vorst?

Sommigen denken dat dit Yeshua is. Maar het viel me al op dat verderop in Ezechiël, deze vorst zonen heeft (Eze 46:16) en dat hij een zondoffer moet brengen (Eze 45:22). Dan kan hij niet Yeshua zijn. Bovendien staat het in meerdere schriftplaatsen heel duidelijk aangegeven dat David een heerser zal zijn over Israël. (Eze 34:23-25 en Eze 37:25 Jes. 55:3-4 , Jer. 30:8-9 , Hosea 3:5). In Ezechiël 37:25 staat specifiek geschreven dat David vorst over Israël zou zijn.

Net zoals in Ezechiël 34:24 noemt de profeet hem niet 'koning' (מֶלֶךְ melech ) maar 'vorst' of ‘prins’ (נָשִׂיא nasi )en deze titel staat er in vers 3 zelfs tweemaal.  Yeshua zal  Koning zijn over de hele aarde, en David regeert over Israël als een Vorst onder Hem.

2 Kronieken 6:5-6 Vanaf de dag dat Ik Mijn volk uit het land Egypte heb geleid, heb Ik uit alle stammen van Israël geen stad verkozen om er een huis te bouwen, zodat Mijn Naam daar zou zijn, en Ik heb geen man verkozen om vorst te zijn over Mijn volk Israël, 6. maar Ik heb Jeruzalem verkozen om daar Mijn Naam te laten zijn, en Ik heb David verkozen om koning te zijn over Mijn volk Israël. 

 

Vervolgens werd Ezechiël via de Noorderpoort het tempelcomplex binnengebracht tot hij voor de tempel stond en.......

Zie, de heerlijkheid van YAHWEH had het huis van YAHWEH vervuld!   

De aanblik ervan was zo overweldigend, zo majestieus, dat Ezechiël opnieuw in aanbidding neerviel.

Maar Yahweh heeft een boodschap die Ezechiël bekend moet maken aan de ballingen. Hij moet zich herstellen van zijn emoties en zijn aandacht richten op alles wat God te zeggen heeft.

“Mensenkind, zet er uw hart op. zie met uw ogen en hoor met uw oren alles wat Ik met u spreken zal aangaande alle verordeningen van het huis van de HEERE en aangaande alle wetten ervan.”

Je hart zetten op wat God zegt!

De wetten en verordeningen worden besproken en het gaat erover wie het huis mogen binnengaan, en wie uit het heiligdom geweerd moeten worden. 

Ezehiël kreeg de opdracht om tegen de “opstandigen”  (het huis van Israel) te spreken. De instructies krijgen ongemerkt  een vervolg voor de tijd dat het  Koninkrijk van God is aangebroken. De Israëlieten brachten onbesneden ongelovige vreemdelingen van buiten Gods Verbond, het heiligdom van Yahweh binnen.  Ze ontheiligden het brood, het vet en het bloed dat aan God was gewijd. Ze bepaalden zelf wie er dienst mocht verrichten in de tempel en vroegen zich niet af “Heer, wat wilt u dat we doen zullen”.

Spreuken 3:5 Vertrouw op de HEERE met heel je hart, en steun op je eigen inzicht niet.

Maar in Gods Koninkrijk gaat dat anders worden.

Ezechiël 44:9 Zo zegt de Heere HEERE: Geen enkele vreemdeling, onbesneden van hart en onbesneden van lichaam, mag in Mijn heiligdom binnenkomen. Dit geldt voor elke vreemdeling die te midden van de Israëlieten is.

Vreemdelingen mochten wel  offeren, het werd hen zelfs geboden:

Numeri 15:14 En wanneer er een vreemdeling bij u verblijft of in uw midden is, al uw generaties door, moet hij een vuuroffer, een aangename geur voor de HEERE, offeren. Net zoals u doet, zo moet ook hij doen.

De vreemdelingen maakten echter geen deel uit van het verbond met Abraham, Izak en Jakob. Ze waren onbesneden van hart en lichaam. In Ezra 4:1-3 lezen we dat de vreemdelingen wel offerden, maar niet mee mochten bouwen aan de tempel.

De Ammoniet Tobia kreeg een priestervertrek toegewezen in Gods huis, maar Nehemia gooide hem eruit en toen moesten alle kamers gereinigd worden. Nehemia zag heel goed het verschil tussen rein en onrein. Nehemia 13:7-9. Van de Ammonieten en Moabieten staat in Deuteronomium 23:3 dat zij in eeuwigheid niet in de gemeente van de   HEER mogen komen. Ruth de Moabitische mocht dat wel, nadat zij beleden had: 

Uw volk is mijn volk en uw God mijn God.” Ruth 1:16

De Levieten

Ezechiël 44:10 Voorzeker, de Levieten die zich ver van Mij hebben gehouden toen Israël afdwaalde – die van achter Mij afgedwaald zijn, hun stinkgoden achterna – moeten wel hun ongerechtigheid dragen;

Hier zijn aanwijzingen dat dit de Levieten uit Ezechiëls tijd betreft, hoewel er Levieten zijn die ook in andere tijden wel betrokken zijn geweest bij afgodische praktijken. Dat dragen van hun ongerechtigheid komt uit in de diensten die zij in de tempel mogen verrichten. Dat zijn alleen de minder belangrijke taken. Door Gods genade worden ze wel ingeschakeld bij de tempeldiensten, maar meer om behulpzaam te zijn als er Israëlieten komen om te offeren,  te slachten, of een functie als poortwachter (portier). In Eze 46:24 is er sprake van het koken van de slachtoffers door “de dienaren van het huis”.  In Numeri 4 lezen we ook over de taken van de Levieten. Er waren familietakken die “mindere taken” moesten verrichten dan bijv. het directe nageslacht van Aäron.

De zonen van Zadok

Ezechiël 44:15-16 Maar de Levitische priesters, de zonen van Zadok, die hun taak ten behoeve van Mijn heiligdom vervuld hebben toen de Israëlieten van Mij afdwaalden, díe mogen in Mijn nabijheid komen om Mij te dienen. Zij mogen voor Mijn aangezicht staan om aan Mij vet en bloed aan te bieden, spreekt de Heere HEERE. 16. Zíj mogen Mijn heiligdom binnenkomen en zíj mogen in de nabijheid van Mijn tafel komen om Mij te dienen en zij zullen hun taak ten behoeve van Mij vervullen.

Wat een geweldig voorrecht voor de Zadok-priesters dat ze in de nabijheid van Yahweh mochten komen om Hem te dienen met de offers van vet en bloed.  Zadok was een Leviet, die nu in de orde van Melchizedek dienst mocht doen. “Zadok” is hetzelfde als “Zedek” in de naam “Melchizdek”. Het betekent “gerechtigheid”. “Melchi” is de Koning en beide woorddelen maken Hem tot “Koning der Gerechtigheid”.

Levi  → Aäron →Eleazar → Pinchas  → Zadok

Je ziet dat die scheiding tussen de Levieten en de Zadokieten te maken heeft met afgoderij.  De Levieten waren schuldig aan afgoderij en de Zadokieten streden tegen afgoderij. De voorvader van Zadok was Pinchas (Pinehas), die de Goddelijke belofte van een vredesverbond ontving.  omdat hij als priester streed voor de heiligheid van God toen de Moabieten de kinderen Israëls in de woestijn tot afgoderij en hoererij verleidden. (Numeri 25:12) . De tekst geeft aan dat God een "eeuwig verbond" sloot met Pinchas en zijn nakomelingen. Dit was een verbond, dat het priesterschap inhield en dat Vredesverbond reikte tot in het latere Vrederijk. Pinchas wordt beloofd dat zijn lijn, later de Zadokieten genaamd, de exclusieve dienstknechten in de Tempel zullen zijn. Zij mogen Yahweh bedienen! Zadok was uit het priestergeslacht van Pinchas (Pinehas).

Mogelijk heeft koning Saul  Zadok tot het hogepriesterschap geroepen. Dit lezen we echter niet in de Bijbel. We weten wel dat hij deze  functie zowel onder David als onder Salomo bekleed heeft.

De hogepriester Abjathar werd door Salomo afgezet omdat hij deel genomen had aan de poging om Adonia op de troon te brengen in plaats van Salomo.

In 1 Koningen 1 zien we de reden van de scheiding tussen de beide priesters: Abjatjar die achter Adonia stond en Zadok die David trouw bleef. Zie ook deze Jaïr studie.

Zacharia en zijn zoon Johannes de Doper waren ook uit het Zadok geslacht. Uit de Qumran rollen blijkt dat de leden van deze sekte uit de tijd van Yeshua, verwachtten dat het hogepriesterschap van Zadok hersteld zou worden.

In het Vrederijk zullen zowel de “tot hogere dienst” geroepen priesters, als degenen die “de mindere taken” moeten verrichten, de les moeten verstaan die Gods Woord ons door Paulus onderwijst:

1 Korinthe 12:21 En het oog kan niet zeggen tegen de hand: Ik heb je niet nodig, of vervolgens het hoofd tegen de voeten: Ik heb jullie niet nodig.

1 Korinthe 12:25. opdat er geen verdeeldheid in het lichaam zou zijn, maar de leden voor elkaar gelijke zorg zouden dragen.

Uit alles blijkt dat Israël en de volken nauwelijks bekend zijn met het evangelie. Daarom gaat Yahweh met hen terug naar het punt waar ze zijn blijven steken. Zo zullen ze zich gaandeweg een begrip kunnen vormen van de prijs die Yeshua aan het kruis betaalde. Om deze reden mochten ze het Vrederijk binnengaan.  God zelf zou zijn schapen weiden en hen onderwijzen.  Eze 34:15-16.

Ook zullen zij gaan merken dat er gelovigen zijn die een verheerlijkt lichaam hebben en met Yeshua regeren.  Ze zullen in hen het karakter van Yeshua herkennen.

Dit zou dan ook wel eens de vervulling met zich mee kunnen brengen beschreven in:

Romeinen 11:11 Ik zeg dan: Zijn zij soms gestruikeld met de bedoeling dat zij vallen zouden? Volstrekt niet! Door hun val echter is de zaligheid tot de heidenen gekomen om hen tot jaloersheid te verwekken.

Voorschriften met betrekking tot de priesters.

Hier volgt een hele weergave van voorschriften. De meeste bepalingen komen we ook in het eerste testament tegen.

Als de zonen van Zadok de poorten van de binnenste voorhof binnengaan, moeten zij linnen kleding aantrekken:, en ook linnen tulbanden en broeken dragen. Het doel van het linnen is dat ze niet gaan zweten, wat hen onrein zou maken. Eze 44:18

Als zij het heilige gedeelte van de tempel willen verlaten en naar de buitenhof willen gaan, dan moeten zij zich omkleden. De linnen priesterkleding uittrekken en in de heilige kamers neerleggen en andere kleding aantrekken. Want anders zouden ze ten onrechte andere personen heiligen. (Exodus 29:37, Leviticus 30:29; Leviticus 6:11; Leviticus 6:18)

  • Ze mogen hun hoofd niet scheren (Lev. 21:5)
  • Ze mogen de haarlokken niet vrij laten groeien. (Lev. 21:10)
  • Zij moeten hun hoofdhaar goed kort knippen.
  • Geen enkele priester mag wijn drinken wanneer hij de binnenste voorhof binnenkomt. (Leviticus 10:9)
  • Zij mogen zich geen weduwe of een verstoten vrouw tot vrouw nemen. In de wet van Mozes is het huwelijk met een weduwe alleen verboden voor de hogepriester (Lev 21:7,13). Hier wordt dit verbod uitgebreid tot alle priesters
  • Zij mogen alleen jonge vrouwen uit het nageslacht van het huis van Israël tot vrouw nemen, of een weduwe die weduwe van een priester is geworden.
  • Zij moeten Mijn volk het onderscheid leren tussen heilig en onheilig, en hun het onderscheid laten weten tussen onrein en rein. (Lev 10:10-11; Deut. 33:10; Maleachi 2:7)
  • Bij een rechtszaak moeten zíj optreden om recht te doen. Overeenkomstig Gods bepalingen moeten zij die voeren. (Exodus 18:13-27; 1 Kor. 6:1-4)
  • Op al Mijn feestdagen moeten zij Mijn wetten en Mijn verordeningen in acht nemen en Mijn sabbatten heiligen. Het Vrederijk is de vervulling van de sabbat. (Hebreeën 4:9) Ook hier spreekt God over "MIJN feestdagen".
  • Geen van hen mag bij een dood mens komen, waardoor hij onrein zou worden. Wel als het gaat om vader of moeder, zoon of dochter, broer of zus die niet aan een man verbonden was. (Lev. 21:1-3)
  • Na zijn reiniging van contact met de dode moeten zij voor hem zeven dagen aftellen. (Num. 19:11)
  • op de dag dat hij het heilige binnengaat in de binnenste voorhof om in het heilige te dienen, moet hij zijn zondoffer aanbieden (Lev. 4:22-24)
  • men mag hen in Israël geen bezit geven: Yahweh is hun erfelijk bezit. (Numeri 18:23b; Deut. 10:9; Jozua 13:14)
  • Zij mogen het graanoffer, het zondoffer en het schuldoffer eten. Alles waarop de ban rust in Israël, is voor hen bestemd.
  • het beste van alle eerstelingen van alles, en elk hefoffer van alles, van al uw hefoffers, zullen voor de priesters bestemd zijn
  • het beste van uw deeg moet u aan de priester geven om een zegen op uw huis te doen rusten.
  • De priesters mogen geen enkel kadaver of wat verscheurd is van de vogels en van het vee, eten.

 

YAHWEH is hun erfdeel

Ezechiël 44:28-30 Dit zal voor hen tot erfelijk bezit zijn: Ik ben hun erfelijk bezit. Daarom mag u hun in Israël geen bezit geven: Ik ben hun erfelijk bezit. 29. Het graanoffer, het zondoffer en het schuldoffer, dat mogen zíj eten. Alles waarop de ban rust in Israël, is voor hen bestemd. 30. Ook het beste van alle eerstelingen van alles, en elk hefoffer van alles, van al uw hefoffers, zullen voor de priesters bestemd zijn. Ook het beste van uw deeg moet u aan de priester geven om een zegen op uw huis te doen rusten.

Ik ben hun erfelijk bezit: Dit principe gold in de dagen dat het priesterschap door Mozes werd ingesteld, en zou ook gelden in de dagen van de tempel van Ezechiël. Zij zouden geen echt erfdeel hebben in het land Israël; Yahweh Zelf zou hun erfdeel zijn.

De priesters hoeven zich niet druk te maken over aardse bezittingen en erfenissen. Daarvan zijn ze vrijgesteld voor de dienst aan Yahweh.  Als we God tot ons erfdeel hebben, dan hebben we alles en daarom genoeg.  

De Heer is Mijn herder, mij ontbreekt NIETS! Psalm 23:1

Het graanoffer, het zondoffer en het schuldoffer, dat mogen zíj eten. Hoewel ze niet hetzelfde landerfdeel zouden hebben als de andere stammen van Israël, beloofde God voor Zijn priesters te zorgen. Een manier om voor hen te zorgen was door een deel te ontvangen van wat als offergaven naar de tempel kwam. Delen van de offers en de eerstelingen zullen aan de priester worden gegeven.

Degenen die offers brengen moeten ervan doordrongen zijn dat alleen het allerbeste in aanmerking kwam om aan God te offeren. Dat zou ook henzelf ten goede komen. De eerstelingen zijn heilig (Exodus 23:19 en Deuteronomium 18:4).

Een offer wordt voor God geslacht. Niets wat vóórdat het als offer gebracht werd al gestorven is, - een natuurlijke dood zijn gestorven of omgekomen is bij een of ander ongeval -, mocht gebruikt worden als offergave. Het heeft met de dood te maken en is daarom onrein. Onder de wet van Mozes gold dit gebod voor alle Israëlieten. (Deut. 14:21)

En wij dan?

Als we dit allemaal lezen dan komt onwillekeurig de vraag naar boven wat onze rol in dit geheel is. Komen wij in die tempel? Wordt er ook van ons verwacht dat we offers gaan brengen? Zijn we daar wel bij in dat Vrederijk? Dit hoofdstuk zegt daar niets over. Het boek Ezechiël zegt daar ook niets over. Maar elders in de Bijbel staan wel aanwijzingen. 
Degenen die wedergeboren zijn worden in een mum van tijd veranderd zoals Paulus hier schrijft:

1 Korinthe 15:52 in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, bij de laatste bazuin. Immers, de bazuin zal klinken en de doden zullen als onvergankelijke mensen opgewekt worden, en ook wij zullen veranderd worden.

Het is goed om 1 Korinthe 15 in zijn geheel te lezen, want daarover staan meer gegevens, ook bijv. in 1 Kor. 15:44 waar staat dat wij een geestelijk lichaam krijgen.  Het Vrederijk is ook het "Koninkrijk van God" waarom wij bidden in het "Onze Vader" en daarvan wordt gezegd dat "vlees en bloed" het Koninkrijk niet kunnen beërven. Dus we zijn dan geestelijke mensen. 
1 Korinthe 15:50 Maar dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed het Koninkrijk van God niet kunnen beërven, en de vergankelijkheid beërft de onvergankelijkheid niet.

Een"geestelijk mens" is niet hetzelfde als een "geest":

Lukas 24:39 Zie Mijn handen en Mijn voeten, want Ik ben het Zelf. Raak Mij aan en zie, want een geest heeft geen vlees en beenderen, zoals u ziet dat Ik heb.

Yeshua heeft ons dat al laten zien in de tijd tussen opstanding en hemelvaart. Hij "verscheen" zonder belemmering van muren, afstanden, enz. Je kon Hem aanraken en Hij at. We zullen aan Yeshua gelijk zijn:


1 Johannes 3:2 Geliefden, nu zijn wij kinderen van God, en het is nog niet geopenbaard wat wij zullen zijn. Maar wij weten dat, als Hij geopenbaard zal worden, wij Hem gelijk zullen zijn; want wij zullen Hem zien zoals Hij is.  Zie ook Filippenzen 3:21.

Handelingen 1:3 Hij heeft Zichzelf, nadat Hij geleden had, ook levend aan hen vertoond, met veel onmiskenbare bewijzen, veertig dagen lang, waarbij Hij door hen gezien werd en over de dingen sprak die het Koninkrijk van God betreffen.
Lukas 24:41-43 En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden, en zich verwonderden, zei Hij tegen hen: Hebt u hier iets te eten? 42. En zij gaven Hem een stuk van een gebakken vis en van een honingraat. 43. En Hij nam het aan en at het voor hun ogen op.

Handelingen 10:40-41 Deze heeft God opgewekt op de derde dag en Hij heeft gegeven dat Hij zou verschijnen, 41. niet aan heel het volk, maar aan de getuigen die door God tevoren verkozen waren, aan ons namelijk, die met Hem gegeten en gedronken hebben, nadat Hij uit de doden opgestaan was.

Er staat geschreven dat wij met Yeshua zullen regeren als koningen en priesters:
Openbaring 20:4-6 En ik zag tronen, en zij gingen daarop zitten, en het oordeel werd hun gegeven. En ik zag de zielen van hen die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus en om het Woord van God, en die het beest en zijn beeld niet hadden aanbeden, en die het merkteken niet ontvangen hadden op hun voorhoofd en op hun hand. En zij leefden en gingen als koningen regeren met Christus, duizend jaar lang. 5. Maar de overigen van de doden werden niet weer levend, totdat de duizend jaar tot een einde gekomen waren. Dit is de eerste opstanding. 6. Zalig en heilig is hij die deelheeft aan de eerste opstanding. Over hen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en van Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen regeren, duizend jaar lang.

Het regeren wat hier bedoeld wordt is wat anders dan "de baas spelen" - "je hoog in aanzien voelen" - "geëerd worden". Volgens bovenstaande tekst is het oordelen, rechtspreken zelfs over  (gevallen) engelen (1 Kor. 6:3). Maar ook het behulpzaam zijn voor de Israëlieten die nog wel een vergankelijk leven hebben en nog niet wedergeboren zijn, zodat zij toegevoegd mogen worden aan de schare die niemand tellen kan en met hen: de nieuwe gelovigen uit de heidenen. En dat allemaal in volmaakte éénheid met Yeshua.  Zo zal Gods Koninkrijk tot zijn volheid komen.