English & other languages: click here!

Ezechiël 23 Ohola en Oholiba

OHALA EN OHOLIBA

iNLEIDING

De namen Ohala en Oholiba zijn afgeleid van het Hebreeuwse woord ‘ohel’ dat ‘tent’ betekent. De tabernakel werd ook wel ‘ohel mow’ed’  אֹהֶל מוֹעֵד  genoemd en wordt vertaald als ‘tent der samenkomst’. ‘Ohola’ (Samaria) betekent ‘haar tent’ en ‘Oholiba’ (Jeruzalem) ‘mijn tent is in haar’.  ‘Je moet Jeruzalem haar gruwelijk gedrag voor de voeten werpen'. Ez. 16:2  Beide vrouwen vormen een metafoor voor het volk Israël, hun ontrouw bestaat uit het buigen voor afgoden. Het is duidelijk dat Yahweh wil hiermee aangeven dat hij hen nog steeds zag als Zijn vrouw. Daarom zijn het vrouwen die in deze allegorie het symbool vormen voor Israël. Dat blijkt ook uit Ezechiël 23:4-5 “Zij werden Mij tot vrouw” en “hoewel zij Mij toebehoorde”. 

Dit is een Bijbelse allegorie met beelden en uitspraken die voor ons gevoel niet passen in een heilig boek. Het zijn termen uit de wereld van de prostitutie. Ze worden echter bewust door God gebruikt om ons de gruwelijkheid van de door Israël begane zonden uit te beelden, zodat wij daarvan kunnen leren.   In Ezechiël 16 lazen we ook al hoe afschuwelijk de zonden in het land waren, maar dat had  voornamelijk betrekking op corruptie, valse profetie, het verval van de reinheid van Gods geboden wat uitmondde in de afgodendienst. Het was daar het geestelijke overspel. Maar hier in Ezechiël 23 wordt een ander aspect belicht: namelijk het politieke overspel.

De volken en gebieden in de toenmalige wereld hadden allemaal hun eigen goden, die uitsluitend tot dat gebied behoorden. Dit waren demonische machten die men van elkaar erkende. Men geloofde dat de goden de landen, gebieden en steden onder elkaar hadden verdeeld.  We lezen zoiets ook in Daniël 10:13 over de vorst van Perzië. Een zeer kwade engel die als afgevaardigde van satan de politiek van Perzië beïnvloedt op dezelfde manier als een demon Baphomet dat hier in Nederland doet. In zekere zin werkten deze goden samen. Wat hier beschreven wordt ligt dan ook meer op het politieke vlak. Dus als Ohola (Samaria) haar hulp bij Assyrië zocht, vertrouwde ze de god Assur, Amon of Mardoek van dat land meer dan Yahweh. Als er verbonden tussen de landen werden gesloten, waren daar behalve mensen, ook de goden bij betrokken. De oorlogen die men op aarde voerde zag men als een weerspiegeling van de strijd tussen de goden. Wie zich afhankelijk stelt van andere machten, zoals Samaria deed, maakt daarmee duidelijk dat hij deze als machtiger ziet dan Yahweh. Daarmee is ze ontrouw aan haar Man en Maker.

EZECHIËL 23:1-10 OHOLA DE OUDSTE ZUSTER = SAMARIA

Als Gods volk keek naar de volken rondom hen, dan zag men een goed georganiseerd  leger, mooie paleizen met indrukwekkende vorsten, een imponerende godenverering en er was welvaart. Daar hadden ze, ondanks de slavernij, het doden van de baby’tjes, zich in Egypte al aan vergaapt.

Hun kleine volkje, dat alles alleen van God moest verwachten, viel daarbij vergeleken in het niet. Een kleine eenvoudige tabernakel, was maar een tent.  In feite was dat alles de aanleiding dat men om een koning riep. Ze wilden meedoen op het wereldtoneel. Maar God zei: “ze hebben Mij verworpen....”  1 Samuël 8:7.

In  Ezechiël 23:5 lezen we dat Ohola hoererij pleegde en verliefd werd op haar minnaars, op de Assyriërs.  

In het Brits museum in Londen staat de Obelisk van Shalmanasar III waarop een illustratie daarvan is te  zien.

 

Koning Jehu van Israel knielt in het jaar 841 v. Chr. voor de Assyrische koning en brengt schatten van goud en zilver. Hij wordt dan weliswaar schatplichtig, maar zijn land wordt niet bezet. Je ziet de grote koning van de Assyriërs: Salmanassar III in vol ornaat afgebeeld. Hij draagt de Assyrische kroon. In zijn rechterhand een schaal met het plengoffer voor de zonnegod die als gevleugelde zon en zonneschijf, erboven afgebeeld staat. Jehu, de koning van Israël, ligt geknield voor hem, recht onder de afgodische afbeeldingen. Het spijkerschrift om de afbeelding heen, vermeldt de gaven en zegt duidelijk dat de brenger van de gaven “Jehu uit het huis van Omri” is.

1 Koningen 16:23-26

De verplicht gebrachte gaven waren: zilver, goud, een schaal, vaas, bekers, emmer, allemaal van goud, tin, een koningsstaf en wapens.

Als er in Ezechiël 23:8 gesproken wordt over hoererijen met de Egyptenaren zou dat verband kunnen  hebben met de kalverendienst onder Jerobeam, die in Dan en Bethel werd ingesteld. Deze kalveren leken op de stier Apis van Egypte, het symbool voor macht en vruchtbaarheid. 1 Koningen 12:25-28

De wereldse pracht, maar ook inzicht, imponeert altijd de mens die niet wedergeboren is.  Het is een verleiding die we maar al te goed in onze cultuur kennen.

In ieder geval komt men bedrogen uit. De mens geeft zich bloot aan wie hij niet kan vertrouwen tot zijn eigen onheil. Tenminste zo ging het Ohola, Samaria. Ze hebben haar schaamte ontbloot, haar zonen en haar dochters weggenomen en haarzelf gedood met het zwaard.  Ze gingen in ballingschap bij wrede heersers. Ze raakten hun kinderen kwijt. Heel het Noordelijk stammenrijk bestond niet meer.  Onder de omliggende volken was de naam Samaria alleen nog maar een spottend spreekwoord. Dit alles liep uit op de val van Samaria in het jaar 722 v. Chr. (2 Koningen 17:3-6)

EZECHIËL 23:11-21 OHOLIBA = JERUZALEM

De allegorie verplaatst zich naar Oholiba, dat wil zeggen: Jeruzalem, de stam Juda. Oholiba zag de afgang van haar zuster Ohola. Het deerde haar niet.

Jeremia 3:10 Zelfs in dit alles heeft haar trouweloze zuster Juda zich niet tot Mij bekeerd met heel haar hart, maar slechts in schijn, spreekt de HEERE.

Oholiba maakte het nog bonter, zij ontbrandde in nog feller hartstocht dan haar zuster. Ook zij vernederde zichzelf zo diep door zich prijs te geven aan die mooie, machtige Assyriërs, net zo als Oholia. God kon het niet meer aanzien, Hij rukte zich los van haar aan wie Hij het beste had willen geven maar die Hem zo  verachtelijk had afgewezen. Hij rukte zich los van Oholiba, zoals Hij dat ook gedaan had van Oholia.

In Ezechiël 23:16 gaat het over banden met de Chaldeeën (Babel). Er was onder koning Hizkia blijkbaar een gezantschap daarheen gestuurd. De reactie daarop was een ziekenbezoek aan Hizkia. Het klinkt niet zo dramatisch, maar er zat blijkbaar meer achter. Hizkia had hen alles getoond wat in zijn huis was. De Bijbel noemt dat zelfs “het liefdesbed delen”. De profeet Jesaja zegt er dit van:

2 Koningen 20:17 Zie, er komen dagen dat alles wat er in uw huis is en wat uw vaderen tot op deze dag hebben opgeslagen, naar Babel zal worden weggevoerd. Er zal niets overblijven, zegt de HEERE. 18. Bovendien zullen zij een aantal van uw zonen meenemen, die uit u zullen voortkomen, die u verwekken zult; zij zullen hovelingen worden in het paleis van de koning van Babel.

Dat laatste zijn duidelijk de jongeren, onder wie Daniël, die naar Babel werden gedeporteerd en hovelingen werden in dienst van Nebukadnezar. Later werden de zonen van Zedekia, ook uit het koningsgeslacht van David/Hizkia, gedood.

Jeremia 39:6-7 De koning van Babel liet de zonen van Zedekia in Ribla voor diens ogen afslachten. Ook liet de koning van Babel alle edelen van Juda afslachten. Verder liet hij de ogen van Zedekia blind maken en hem met twee bronzen ketenen binden om hem naar Babel te brengen.

Degenen op wie de ‘zusters’ verliefd werden worden hier genoemd: ‘wellustelingen’ maar ook ‘vlees’. Ze zagen er mooi uit die mannen op paarden in kleurrijke kleding. Maar het was ‘vlees’ en dat staat in de Bijbel altijd voor ‘werelds – ongeestelijk’. Het was dan bovendien nog vlees van ezels en hijgende hengsten, onreine hitsige dieren.  Ook de geneugten van Egypte, lang geleden, toen Israël een jonge vrouw was in Gods ogen, speelden in de loop van de geschiedenis blijkbaar nog een rol. 

Ezechiël 16:7-8 Ik liet je bij Mij opgroeien. Je groeide als kool en werd een prachtige vrouw. Je kreeg een mooi figuur en prachtig lang haar. Maar je was naakt, eenzaam en alleen. 8 Toen Ik weer voorbij kwam, zag Ik dat de tijd voor de liefde was gekomen. Ik wilde je beschermen. Ik trouwde met je en je werd mijn vrouw. (Basisbijbel)

EZECHIËL 23:22-35 HET OORDEEL OVER OHOLIBA

Die imponerende mannen op paarden zijn nu niet meer zo mooi. Het zijn officieren en machthebbers, maar ze maken deel uit van het vijandige leger van Nebukadnezar, waaraan ook Assyriërs deelnemen. Ze komen met groot materieel: strijdwagens, voertuigen, grote manschappen, stormram, schilden en helmen. Oholiba wordt bang, doodsbang. 

God heeft hen gestuurd en het strafgericht in hun handen gegeven. Ze zullen woedend zijn en daardoor zal Oholiba beseffen dat God uit jaloezie handelt, zoals een liefhebbende echtgenoot terecht jaloers kan zijn als zijn vrouw naar anderen lonkt. De vijand is niet zachtzinnig. De kleren worden uitgetrokken en de sieraden afgenomen. Bij het afnemen van sieraden kan men ook de tempelschatten rekenen.  Neus en oren zullen ze afnemen. Er waren landen waar men dit toepasten bij overspelige vrouwen, want in neus en oren droeg men sieraden. Eigenlijk wordt hier het tegenovergestelde getekend van wat er gebeurde toen men Egypte verliet. Toen beroofden ze de sieraden en kleding van de Egyptenaren. (Exodus 12:35)

Alles wat met hard werken is verworven wordt meegenomen, ze worden naakt en bloot achtergelaten, omdat ze als hoeren de heidenen hebben nagelopen en heil zochten bij hun stinkgoden.

Oholiba zal de beker van de gramschap van God moeten drinken, net zo als haar zuster Ohola. Die beker, die diep en wijd is, werd tot de rand gevuld.  Het is een soort gedicht waarin dit wordt gezegd, Het is een heel akelig gedicht, dat laat zien dat God’s oordeel niet meevalt.

De beker van uw zuster zult u drinken,

die diepe, wijde beker

– u zult belachelijk en bespottelijk worden –

die beker kan veel bevatten!

U zult vol worden van dronkenschap en verdriet.

De beker van uw zuster Samaria

is een beker van verwoesting en woestenij.

U zult hem drinken, leegdrinken,

hem aan scherven knagen,

en uw borsten ermee openhalen,

want Ík heb gesproken, spreekt YAHWEH uw Elohim.

 

Ezechiël 23:35 Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat u Mij vergeten bent en Mij achter uw rug geworpen hebt, zult u ook zelf uw schandelijk gedrag en uw hoererijen dragen!

Tenslotte wordt Oholiba er nadrukkelijk bij bepaald dat ze YAHWEH bewust heeft vergeten en dat dit de oorzaak is van wat Jeruzalem en haar inwoners nu overkomt. Dat negeren van YAHWEH is een schuldig vergeten. YAHWEH confronteert haar met de ernst van haar afwijzing: Ze heeft “Hem verachtelijk achter haar rug geworpen” en ze heeft daarmee laten zien hoe waardeloos ze Hem vindt. Haar zonden komen nu op haar eigen hoofd neer. Dat moet ons wat te zeggen hebben als we de afval om ons heen zien.  Hoevelen hebben Yeshua, de levende Tora achteloos achter de rug geworpen en willen niets van de Tora en de Bijbel weten.....

EZECHIËL 23:36-49 HET OORDEEL OVER OHOLA EN OHOLIBA

God spreekt Ezechiël weer aan met de titel “Mensenkind..... wilt u Ohola en Oholiba berechten? Maak dan deze vrouwen hun gruweldaden bekend.”

 In de voorafgaande verzen is het ons duidelijk geworden wat er verkeerd ging. Maar nu moet Ezechiël een duidelijke aanklacht formuleren. Het lijkt erop dat hij de beschuldigingen van Ezechiël 16 ook daarin betrekt. Het gaat om:

 

Geestelijk overspel op politiek terrein

Geestelijk overspel op godsdienstig terrein

Moord op kinderen (Moloch)

Verontreiniging van het heiligdom door binnen te gaan na het offeren aan de Moloch

Het schenden van de sabbat

Reukwerk en olie voor Yahweh bestemd aan de heidenen voorgezet

Dronkaards die armbanden om deden en een kroon op het hoofd zetten

Oholiba en Ohola hadden er als oudere hoer nog steeds behagen in om te verleiden

 

Het is teveel om op te noemen.....

 

HET VONNIS

De heidenen die komen om Jeruzalem in te nemen worden hier ‘rechtvaardige mannen’ genoemd. Zij laten zich door God gebruiken om het oordeel uit te voeren.  (Ezechiël 23:45) Ze worden in het volgende vers door God opgeroepen.

De straf voor overspeligen en bloedvergieters is steniging. (Leviticus 20:10; Deut. 21:21; Deut. 22:23-24). Hun zonen en dochters zullen zij met het zwaard doden en hun huizen zullen zij met vuur verbranden.

 

Door deze straf zullen anderen gewaarschuwd worden om niet dezelfde weg te gaan. Het is de straf van hun zonden die op hun eigen hoofd neerkomt. Ze worden slachtoffer van de mannen die ze eerst zelf hadden verleid.

 

We zien veel raakvlakken met de houding van vandaag – zoals Gods woord dat totaal wordt genegeerd.  Dat achter de rug geworpen wordt [vers 35] Sommige van Gods woorden in dit hoofdstuk zijn zo van toepassing op vandaag, "de geruste menigte" terwijl de wereld in nood is [vers 42] Er   wordt hun verteld wat God gaat doen "... Hij geeft hen over tot een schrikbeeld en tot een prooi ... Zo zal Hij een einde maken aan uw schandelijk gedrag … Hij zal uw ontucht op uw eigen hoofd doen neerkomen, en u zult weten dat ik de Here GOD ben.” [vers 46-49]  En het oordeel kwam.....

En onze wereld van vandaag "ZAL WETEN dat er een God is”, want er zijn veel parallellen met het goddeloze gedrag in de tijd van Ezechiël. Een oordeel kan niet uitblijven.