English & other languages: click here!

Ezechiël 46 het offer in het Vrederijk

De Vorst en de offers.

Ezechiël 46:1-8 Zo zegt de Heere HEERE: De poort van de binnenste voorhof die naar het oosten gekeerd is, moet op de zes werkdagen gesloten blijven, maar op de sabbatdag geopend worden. Ook op nieuwemaansdag moet hij geopend worden. 2. Dan zal de vorst van buiten binnenkomen via de voorhal van de poort, en bij de deurpost van de poort blijven staan. De priesters moeten zijn brandoffers en zijn dankoffers bereiden en hij zal zich neerbuigen op de drempel van de poort en dan naar buiten gaan. Maar de poort mag tot de avond niet gesloten worden. 3. De bevolking van het land moet zich op de sabbatten en op de nieuwemaansdagen neerbuigen voor het aangezicht van de HEERE aan de ingang van die poort. 4. Het brandoffer dat de vorst de HEERE aanbiedt, zal op de sabbatdag bestaan uit zes lammeren zonder enig gebrek en een ram zonder enig gebrek, 5. en het graanoffer, een efa per ram – maar bij de lammeren zal als graanoffer een gave naar zijn vermogen dienen – en als olie een hin per efa. 6. Op nieuwemaansdag moet als offer een jonge stier – het jong van een rund – zonder enig gebrek dienen, en zes lammeren en een ram; alle moeten zonder enig gebrek zijn. 7. Als graanoffer moet hij voor een efa per jonge stier en een efa per ram zorgen – maar bij de lammeren, al naargelang zijn vermogen reikt – en als olie een hin per efa. 8. En wanneer de vorst binnenkomt, moet hij via de voorhal van de poort binnenkomen en langs dezelfde weg naar buiten gaan.

Op bovenstaande plattegrond van het tempelcomplex zijn de plekken waarvan in dit hoofdstuk sprake is voorzien van een tekstverwijzing. Zo ook van vers 1 waarin de oostenpoort van de binnenste voorhof genoemd wordt. Deze poort is gereserveerd voor de vorst en deze moet op de sabbat en de nieuwemaansdagen geopend worden voor offerdiensten en aanbidding, waarin de vorst een belangrijke taak vervult. Hij draagt zorg voor de offeranden. Op deze bijzondere feestdagen, waarop de binnenste oostpoort geopend moet worden, moet de vorst van buiten, via de voorhal van de poort, naar binnen komen. Hij loopt door de poort en gaat staan bij de deurpost van de poort die grenst aan de binnenste voorhof (Eze 46:2). Hij kijkt toe als de priesters zijn brandoffers en dank- of vredeoffers bereiden. Vol eerbied buigt hij zich in aanbidding neer op de drempel van de poort voor het binnenste voorhof, waar het brandofferaltaar in gebruik is. Daarna gaat hij terug door de poort naar de buitenste voorhof.  Daar  gaat hij de Israëlieten voor in het neerbuigen voor Yahweh en zo is hij één met het volk voor het aangezicht van Yahweh.

Na afloop vertrekt de vorst. De oostelijke binnenpoort mag niet direct gesloten worden, maar moet tot de avond open blijven om de tempelgangers de gelegenheid te bieden bij die ingang een blik op het brandofferaltaar te werpen en in aanbidding neer te knielen (Eze 46:3). De tempelgangers mogen niet bij het brandofferaltaar komen. In de vroegere situatie kon het volk zich vrij om het brandofferaltaar bewegen, omdat het toen in de buitenste voorhof stond. Als de vorst tussendoor een vrijwillige gave wil brengen mag de poort niet open blijven staan tot de avond.

De oostelijke buitenpoort is, zoals we gezien hebben in Ezechiël 44:1-2 voorgoed gesloten, want alleen YAHWEH in Zijn heerlijkheid mag daar door gaan. Nu dit voor eeuwig Zijn woonplaats is, mag die poort niet meer open gedaan worden. Het heeft niets te maken met de dichtgemetselde “gouden poort” in Jeruzalem, die hoogstens een heenwijzing is naar wat komen gaat.

Dan wordt Ezechiël bekend gemaakt waaruit de offers moeten bestaan. Hoewel veel van de tempeldienst vergelijkbaar is met de gang van zaken in de Tora, zijn er toch ook grote verschillen. 

Deze verschillen zijn voor de orthodoxe Joden onaanvaardbaar, want die houden zich strikt aan de wetten van Mozes. Voor het brandoffer wordt er nu veel meer geofferd op sabbat, dan geboden was volgens de wet van Mozes.


Alle zes toegangspoorten van het tempelcomplex hebben dezelfde indeling en structuur. Het enige verschil is dat de  buitenste poorten die toegang geven tot het buitenste voorhof, zeven treden hebben. Zeven is het heilig getal voor God en mensen. De binnenste poorten geven toegang tot het allerheiligste gebied, waar YAHWEH woont bij de mensen. Deze hebben het volmaakte getal van 8 treden. De buitenste oostpoort gaf toegang voor YAHWEH en blijft daarom gesloten. De binnenste oostpoort is bestemd voor de Vorst.


VERGELIJKING BRANDOFFER:


Numeri 28:9-19 Maar op de sabbatdag twee lammeren van een jaar oud, zonder enig gebrek, met twee tiende efa meelbloem als graanoffer, met olie gemengd, en het bijbehorende plengoffer.

10. Het is het sabbatsbrandoffer voor elke sabbat, naast het voortdurende brandoffer en het bijbehorende plengoffer.

Ezechiël 46:4-5 Het brandoffer dat de vorst de HEERE aanbiedt, zal op de sabbatdag bestaan uit zes lammeren zonder enig gebrek en een ram zonder enig gebrek,

5. en het graanoffer, een efa per ram – maar bij de lammeren zal als graanoffer een gave naar zijn vermogen dienen – en als olie een hin per efa.


De maan speelt in de Bijbel een belangrijke rol. De Bijbelse kalender vindt haar basis in de loop van de maan, die na alle zichtbare stadia, de komst van de nieuwe maan(d) aangeeft. Dat is ook het doel waarvoor God de maan geschapen heeft:

Genesis 1:14 En God zei: Laten er lichten zijn aan het hemelgewelf om scheiding te maken tussen de dag en de nacht; en laten zij zijn tot tekenen, en tot aanduiding van vaste tijden en van dagen en jaren!

God heeft zowel in de Tora, als ook hier in het Vrederijk, opgedragen uit te zien naar de “nieuwe maan” en om dan de “nieuwemaansdagen” te vieren, die vergezeld gaan met offers. In onze tijd, waarin er geen tempel is, brengen wij offers van dankzegging.

“Laten wij dan door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is de vrucht van de lippen die zijn Naam belijden” (Hebr. 13:5).

“En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet, want in zulke offers heeft God een welbehagen” (Hebr. 13:16).

“Ik vermaan u dan broeders, door de ontfermingen van God, dat u uw lichamen stelt tot een levende offerande, heilig voor God, welbehaaglijk dat is uw redelijke dienst” (Rom. 12:1).
   

In het Vrederijk komen de offers van dieren die geslacht worden op zo’n nieuwemaansdag, terug. In tegenstelling tot de sabbatoffers, wordt nu minder geofferd dan in de dagen van Mozes.


VERGELIJKING OFFERS NIEUWEMAANSDAGEN:


Numeri 28:11-14 Ook aan het begin van elke maand moet u de HEERE een brandoffer aanbieden: twee jonge stieren – de jongen van een rund – één ram en zeven lammeren van een jaar oud, zonder enig gebrek.

12 Verder drie tiende efa meelbloem per jonge stier als graanoffer, met olie gemengd, en twee tiende efa meelbloem als graanoffer, met olie gemengd, per ram,

13 en een tiende efa meelbloem per lam als graanoffer, met olie gemengd. Het is een brandoffer, een aangename geur, een vuuroffer voor de HEERE.

14 En de bijbehorende plengoffers moeten zijn: een halve hin wijn bij de jonge stier, een derde hin bij de ram, en een kwart hin bij het lam. Dit is het maandelijkse brandoffer, voor elke maand van het jaar.

15. En één geitenbok moet als zondoffer voor de HEERE worden bereid, naast het voortdurende brandoffer met het bijbehorende plengoffer.

Ezechiël 46:6-8 Op nieuwemaansdag moet als offer een jonge stier – het jong van een rund – zonder enig gebrek dienen, en zes lammeren en een ram; alle moeten zonder enig gebrek zijn.

7 Als graanoffer moet hij voor een efa per jonge stier en een efa per ram zorgen – maar bij de lammeren, al naargelang zijn vermogen reikt – en als olie een hin per efa.

8 Op de feesten en op de feestdagen moet het graanoffer bestaan uit een efa per jonge stier en een efa per ram – maar bij de lammeren een gave al naargelang zijn vermogen reikt – en als olie een hin per efa.

I.p.v. 2 jonge stieren, nu 1 jonge stier

i.p.v. 1 ram en 7 lammeren, nu 1 lam

het graanoffer is wel meer:

i.p.v. 3/10 efa per jonge stier, 1 efa per stier i.p.v. twee tiende efa per ram, nu 1 efa per ram.

In Numeri is sprake van wijn voor het plengoffer, dat wordt niet genoemd in de beschrijving betreffende het Vrederijk.


Het dagelijks offer werd onder de wet van Mozes ’s morgens en ’s avonds gebracht. Eén éénjarig schaap ’s ochtends, het andere werd in de avondschemering bereid. Er was een dagelijks brandoffer dat door de HEERE ingesteld was tot een liefelijke reuk. Numeri 28:3-6, Ezechiël 46:13-15. De hoeveelheden zijn veranderd. Tijdens het dagelijks offer wordt er één schaap in plaats van twee schapen geofferd.  Opmerkelijk is dat er geen middagoffer meer is.

We lezen dit in:
Exodus 29:38-39 Dit nu is het wat u op het altaar moet bereiden: elke dag twee lammeren van een jaar oud, en dat voortdurend. 39. Het ene lam moet u in de morgen bereiden en het andere lam moet u tegen het vallen van de avond bereiden-

Eze 46:13-15 Verder moet u elke dag een lam van een jaar oud zonder enig gebrek als brandoffer bereiden voor de HEERE. Elke morgen moet u dat bereiden. 14 Dan moet u daarop een graanoffer doen, elke morgen een zesde efa en een derde hin olie om de meelbloem vochtig te maken. Het is een graanoffer voor de HEERE, het zijn eeuwige verordeningen, voortdurend. 15 Zij moeten het lam, het graanoffer en de olie elke morgen als voortdurend brandoffer bereiden. 

Ook het avondoffer was een “altoosdurend” offer, d.w.z. zolang de tabernakel of tempel er was. Om 3 uur werd de keel van het lam van het avondoffer doorgesneden. Yeshua stierf om 3 uur. Er is geen avondoffer meer, omdat Yeshua ’s middags om 3 uur gestorven is.

Die brandoffers wezen vooruit. De afwezigheid van het middag/avondoffer verwijst ernaar dat Yeshua op dat tijdstip is gestorven.

Het is volbracht!

Ook is er geen hogepriester in de tempel van Ezechiël. In de orde van Melchizdeq is Yeshua de Hogepriester.

Verder is het niet meer mogelijk om naar “de hoornen van het altaar” te vluchten als iemand per ongeluk een ander heeft gedood. Het altaar is niet toegankelijk voor het volk. Er zijn ook geen vrijplaatsen meer met priesters.  Nu zal doodslag ook niet zo gauw voorkomen in het Vrederijk. Dat is mede een reden dat de Levieten niet meer verspreid over het land wonen.  

 

ERFENIS GEGEVEN AAN ZONEN EN DIENAREN

Ezechiël 46:16 Zo zegt de Heere HEERE: Wanneer de vorst een van zijn zonen een geschenk geeft, is het diens erfelijk bezit. Dat zal zijn zonen toebehoren, dat zal hun bezit in erfelijk bezit zijn. 17. Maar wanneer hij een geschenk uit zijn erfelijk bezit aan een van zijn dienaren geeft, zal dat van hem zijn tot het jaar van zijn vrijlating. Dan zal het naar de vorst teruggaan. Voorwaar, het is zijn erfelijk bezit, het zal zijn zonen toebehoren. 18. De vorst mag niets nemen van het erfelijk bezit van het volk door hen uit hun bezit te verdringen. Hij mag zijn zonen alleen van zijn eigen bezit in erfelijk bezit geven, zodat Mijn volk niet verspreid wordt, ieder verdrongen uit zijn eigen bezit.

Hier zien we het erfrecht en het jubeljaar in een iets andere setting terugkomen. Omdat het hier erfrecht betreft zullen deze regels van toepassing zijn op het land en de huizen. Als de vorst zijn zonen iets wil schenken, dan mogen zij dat erven en in hun geslacht houden. Maar als de vorst iets aan zijn dienaren schenkt, mag hij dat houden tot het jaar van zijn vrijlating, d.w.z. het jubeljaar. Dan moet hij het weer teruggeven aan de vorst. Zo blijven de bezittingen in de geslachten. Daarom mag de vorst  alleen iets schenken uit zijn eigen bezit en niet zoals veelvuldig gebeurt je vrienden of familie bevoordelen met iets wat een ander toebehoort. Vaak werd het eigendom van een ander onder valse voorwendselen afhandig gemaakt. Maar God wil dat wat Hij zijn volk heeft toebedeeld, ook hun bezit zal blijven. Zo ontstaat er geen verarming in Zijn Koninkrijk en ook het bezit van de vorst  en zijn familie is gegarandeerd.

DE KEUKENS VAN DE TEMPEL.

Ezechiël 46:19-24 Toen bracht Hij mij door de ingang die terzijde van de poort was, naar de heilige kamers die de priesters toebehoorden, die naar het noorden gekeerd waren. En zie, daar was een ruimte aan beide zijden, aan de westzijde. 20. Hij zei tegen mij: Dit is de plaats waar de priesters het schuldoffer en het zondoffer moeten koken, waar zij het graanoffer moeten bakken, zodat zij het niet naar buiten hoeven te brengen naar de buitenste voorhof, waardoor zij het volk zouden heiligen. 21. Toen bracht Hij mij naar de buitenste voorhof en leidde mij langs de vier hoeken van de voorhof. En zie, in elke hoek van de voorhof was een ander voorhofje. 22. In de vier hoeken van de voorhof waren voorhofjes met rookkanalen, veertig el lang en dertig el breed. De vier hoekvoorhoven hadden eenzelfde maat. 23. Daaromheen lag een ringmuurtje, rond deze vier, en er waren kookgelegenheden gemaakt, rondom onder aan de ringmuurtjes. 24. Hij zei tegen mij: Dit zijn de kookgelegenheden waar de dienaren van het huis het slachtoffer van het volk moeten koken.

Toen bracht Hij mij….. er wordt ook hier niet gesproken over “de Man”, zoals in de hoofdstukken 40-43. Sinds de aanwezigheid van Gods heerlijkheid horen we deze titel niet meer, tot in het volgende hoofdstuk. Nu werden hem de keukens getoond aan het westelijke uiteinde van de noordelijke priestervertrekken in de binnenste voorhof. Dat is de heilige plaats binnen het heilige afgezonderde deel, waar de priesters het vlees van de zondoffers en de schuldoffers kunnen koken, zodat ze zich niet buitenom op onheilig gebied hoeven te begeven en anderen daarmee zouden heiligen die daar niet voor in aanmerking kwamen,

Ook in de vier uiterste hoeken van het tempelgebied zijn kookgelegenheden, vlak naast de 30 eet- en ontmoetingsgelegenheden die tegen de buitenste afscheidingsmuur van de tempel gebouwd zijn. God voorziet Zijn volk van een feestelijk gebruik zowel van geestelijk als fysiek voedsel. De aanbidding in de tempel blijft niet beperkt tot woord en religieuze handelingen. Het omvat het eten en de ervaring van de gemeenschap met God en de gemeenschap die voortkomt uit het delen van een maaltijd.

In dit hoofdstuk krijgt vervolgens het brandoffer een voortschrijdend inzicht.

HET BRANDOFFER " OLAH"                                                      

("olah" עֹלָה  dat letterlijk “opgaand offer” betekent wordt zo in vers 4 genoemd.)

Het brandoffer wordt in Leviticus 1 beschreven. Het is het eerstgenoemde offer, een offer dat God het meest behaagt. Het is een verzoenend en ook plaatsvervangend offer. Het symboliseert Yeshua, de Enige die Gods wil volkomen heeft volbracht door Zich helemaal te geven in vernedering en dood en daardoor de Gever van LEVEN werd.
Hebreeën 9:13,14 Want als het bloed van stieren en bokken en de as van de jonge koe, op de verontreinigden gesprenkeld, hen heiligt tot reinheid van het vlees, hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelf smetteloos aan God geofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken om de levende God te dienen!

Het brandoffer vindt in het Vrederijk plaats op een bijzonder geheiligde plaats, waar alleen de Zadokieten mogen komen. Dit in tegenstelling tot het brandoffer in de tabernakel en in de tempels van het eerste testament. De vorst èn het volk buigen zich neer voor dit offer. Zij knielen voor Yeshua in Zijn diepste vernedering, die Hij onderging om God te verheerlijken.

Het is een offer voor God. 

Op Golgotha werd Gods gerechtigheid geopenbaard, doordat YAHWEH Zijn Zoon Yeshua tot zonde maakte en de zonde in Hem heeft geoordeeld, zonder verzachting van het oordeel. Daar werd Gods genade geopenbaard. 

Hij stak Zijn hand in het offer van zijn Zoon uit naar ellendige en schuldige zondaars, die van zichzelf weten dat ze zonder die Heilrijke Hand nooit uit de greep van de satan los zouden komen. Daarin was genade voor een wereld verloren in schuld.

…..die Zichzelf voor ons heeft overgegeven als een offergave en slachtoffer, tot een aangename geur voor God. (Efeze 5:2)

Dit brandoffer vindt, gezien vanuit de binnen-oostpoort plaats in een rechte lijn voor het allerheiligste gedeelte van de tempel waarin de heerlijkheid van God blijvend aanwezig is.

De vorst mag nog even dichterbij komen: op de drempel van de poort, die grenst aan de binnenste voorhof. Hij is de enige die in deze poort mag komen om er te eten voor het aangezicht van God (Eze 44:3) en er doorheen mag gaan. Het volk buigt zich neer bij de geopende ingang van die binnen oostpoort, waardoor zij op nieuwemaansdag een blik kunnen slaan op het verbranden van de jonge stier, zonder enig gebrek. Op de sabbatten een ram zonder enig gebrek. Het is heel goed mogelijk dat zij ook met hun ogen iets zouden zien van de heerlijkheid van YAHWEH, maar dit is niet vermeld.

Dit offer baant de weg naar de tijd dat God alles in allen zal zijn. (1 Korinthe 15:28)