Jeremia 31 de Tora in het hart

Jeremia 31:33

Wat is het nieuwe verbond dat God Zijn volk zal geven? Jeremia is daarover heel duidelijk en specifiek, de Wet, de Tora, zal in het nieuwe verbond in de harten van de Israëlieten gelegd worden (Jer. 31:33). In het Hebreeuws staat hier:  נָתַתִּי אֶת-תּוֹרָתִי בְּקִרְבָּם, וְעַל-לִבָּם אֶכְתְּבֶנָּה

Naa-tat-tie > Et-Tooraa-tie > B ͤ-qier-baam > W ͤ -al – Lieb-baam > Ech-ta-ven-naa

Ik zal stoppen – Mijn Wet – in hun binnenste – en het in hun hart schrijven

Bij de interpretatie van dit vers moeten we de context betrekken; Jeremia maakte het dieptepunt van de vloek mee. Dit was een regelrechte ramp en elke profeet wist dat dit gekomen was door de ongehoorzaamheid aan de Tora. Op dat dieptepunt kondigt God aan dat de toekomst beter zal zijn.  Het is alsof God zegt: ‘Jullie konden niet met mijn Tora omgaan toen ik jullie die gaf. Ik ga nu iets anders doen:  ik ga de Tora in jullie hart leggen.’  Merk op dat de standaard van God, de Tora, niet verandert maar dat God Zijn volk aanpast en verandert; op zodanige wijze dat de Tora alsnog door hen wordt uitgevoerd.  In de kerk hebben we de rollen omgedraaid. Daar leert men vaak dat de Tora afgeschaft zou zijn of niet meer geldig is omdat deze te moeilijk zou zijn.

Met andere woorden de Tora is aangepast. God zou de eisen hebben versoepeld. Jeremia leert ons het tegenovergestelde; God past Zijn wet niet aan, maar stelt dat het volk moet veranderen.

We bespraken eerder dat ‘wetteloosheid’ scherper vertaald wordt met Toraloosheid en dat dit gelijk staat aan de zonden en dat  ‘het volgen van de Wet’  het tegenovergestelde is  van ‘wetteloosheid’ namelijk:  niet zondig leven.  Wanneer we stellen dat de Tora veranderd is, dan stellen we dat God de definitie van zonde en niet-zonde heeft bijgesteld/aangepast.  Maar dit kan niet, want God blijft hetzelfde en kan de zondigheid simpelweg niet verdragen; gisteren niet, vandaag niet: nooit niet en de definiëring daarvan zal altijd hetzelfde blijven.  We lezen dan ook dat de verandering van de Israëlieten, namelijk dat zij zich zullen houden aan de Tora, maakt dat God ‘hun tot God kan zijn’ en Israël Hem tot volk. (Jeremia 31:33b)

Ook zien we dat God Zijn wens voor de Israëlieten, een wens die Hij al uitsprak ten tijde van de Sinaï (Deut. 6:5), namelijk dat de Israëlieten de Tora via de besnijdenis van hun hart zouden verinnerlijken, in vervulling komt in het nieuwe verbond. 

Dit hele principe van het eigen maken van de Tora wordt ook verwoord in het kerngebed van het ‘sjema’. De profeet Jeremia lijkt ons dus het volgende te zeggen; NIET DE TORA, MAAR DE MENS WORDT AANGEPAST. God legt de Tora in het hart van de Israëlieten, dan kunnen ze niet anders dan gehoorzaam zijn.

Jeremia 31:34.

De profeet Jeremia leert ons nog iets, namelijk dat wanneer de Tora in het hart gelegd is van de Israëlieten, zij elkaar dan niet meer hoeven te onderwijzen of te vermanen om God te leren kennen. (Jeremia 31:34). Blijkbaar is, wanneer de verinnerlijking van de Tora plaatsvindt, onderwijs overbodig geworden en is een aansporing om God te volgen eveneens niet meer nodig voor hen, want iedereen kent God persoonlijk.  Merk op dat de profeet ons leert dat het kennen van de Tora en de verinnerlijking ervan betekent dat we God leren kennen en andersom; kennis van de Tora is dus kennis van God. Dit laatste idee wordt door de apostel Jochanan verwoord wanneer hij schrijft dat Jesjoea de vleeswording van de Tora is (Joh. 1:14) en de Hebreeënschrijver leert ons dat Jesjoea de afdruk is van God in mensvorm (Heb. 1:3). De Messias kennen is de Tora kennen en kennis van de vleesgeworden Tora is kennis van God.

Tot slot vermeldt de profeet dat God het verleden, waarin het volk ongehoorzaam was en de vloek over zichzelf afriep, niet meer zal gedenken want Hij zal hen vergeven voor deze zonden (Jer. 31:34).  Dit aspect is ook van wezenlijk belang want er moet een proces van reiniging plaatsvinden voordat de mens met God herenigd kan worden via een verinnerlijking van de Tora.

Er zijn dus twee zaken die in wezen het nieuwe verbond uitmaken, namelijk

1) een innerlijke verandering van Gods volk: dat is heiliging:  ‘Gods wil’ uitleven, maar daarvoor moet eerst iets anders gebeuren; het andere aspect. Het tweede aspect is dan ook

2) reiniging van de zonden van Israël.  In de introductie vertelde ik dat het nieuwe verbond meer inhoudt dan alleen de vergeving van zonden in de Messias, namelijk dat we na die innerlijke reiniging ook blijvend van aard en natuur zullen veranderen via heiliging: een wandel in Gods wegen.

Uit:  “Terug naar de Bron” van M.R. Doeve, pagina 246-248