English & other languages: click here!

Jeremia 2 - Jeremia 3:4 - Jeremia 4:12

JEREMIA 2

Het openbare optreden van Jeremia begint in Jeruzalem. Zijn profetieën beginnen met het in gedachten brengen van Gods handelen met het volk in het verleden. Het voert terug naar de woestijntijd in de tijd van de eerste liefde, de verlovingstijd ( de liefde van uw bruidsdagen), toen was er sprake van liefde van beide kanten. De liefde van YHWH was terug te zien in het volk.

Jeremia 2:3. Israël was heilig voor de HEERE, de eersteling van Zijn opbrengst. Allen die deze opaten, werden schuldig,
onheil kwam over hen, spreekt de HEERE.

De verbondssluiting op Horeb wordt voorgesteld als een huwelijk tussen de HEERE en het jonge volk (Jer.2:5). Het volk volgde God, dwars door de onherbergzaamheid van de woestijn. ‘Onbezaaid' doelt op de onvruchtbaarheid van de woestijn, waar vanwege dorheid geen voedsel kon worden geoogst. Israël was helemaal afhankelijk van Gods zorg. Hij zorgde dan ook voor voedsel en water.  In het begin van Jeremia 2 laat God het volk weten dat Hij de eerste liefde van Israël niet vergeten is.  Dat Hij er voor ze was en is en dat degenen die hen kwaad doen schuldig worden bevonden en onheil zullen ervaren. 

Jeremia 2:3 Israël was heilig voor de HEERE, de eersteling van Zijn opbrengst. Allen die deze opaten, werden schuldig, onheil kwam over hen, spreekt de HEERE.

De wet van de eerstelingen bepaalt dat de eerste opbrengst van de oogst moet worden gewijd en apart gezet voor YHWH (zie Exodus 23:19 en Exodus 34:22). Zo is het ook met het volk; het is apart gezet en toegewijd aan de HEERE (Lev. 20:24). Uniek is de vergelijking met de omringende heidenvolken. Werden de eerstelingen van de oogst  ‘opgegeten’ (beeld van militaire overwinning door de vijanden op het volk Israël), dan volgde daar onherroepelijk de straf van God op.

Jeremia 2:4 Hoor het woord van de HEERE, huis van Jakob en alle geslachten van het huis van Israël….. het huis van Jacob en alle geslachten van Israël worden geroepen te luisteren. Hier blijkt dat Jeremia spreekt tot een grote groep, namelijk heel Israël. Dat is opvallend, want Israël (het Tienstammenrijk) was in 722 v.Chr. al in ballingschap weggevoerd naas Assyrië. In het verlaten van God en het dienen van de afgoden wordt heel Israël als eenheid gezien en aangesproken. Onder de bevolking van Jeruzalem, de hoofdstad van het zuidelijk rijk, bevonden zich ook personen uit het oorspronkelijke tienstammenrijk. Tijdens de afgodische offerdienst die Jerobeam in het noordelijk rijk had ingesteld waren er getrouwe priesters en Levieten die daar niet aan mee wilden doen. Die zijn toen met hun gezinnen verhuisd naar Jeruzalem. Dit is te lezen in 2 Kronieken 11:13-17

Jeremia 2:5 Zo zegt de HEERE: Wat voor onrecht hebben uw vaderen in Mij gevonden, dat zij zich ver van Mij hebben gehouden, dat zij achter nietige dingen zijn aan gegaan – en zelf nietig zijn geworden – 

6. dat zij niet zeiden: Waar is de HEERE, Die ons uit het land Egypte geleid heeft, Die ons in de woestijn deed gaan, in een land van wildernis en kuilen, in een land van dorheid en schaduw van de dood, in een land waar niemand doorheen trok en waar geen mens woonde?

De HEERE klaagt het volk aan. Het volk heeft zonder reden de HEERE verlaten en heeft de afgoden, die niets en leeg zijn (ijdelheid), nagewandeld. Heeft de HEERE iets verkeerds gedaan bij hun voorouders (vaders)? Het volk kan niet zeggen dat de Heere iets verkeerds heeft gedaan.

De HEERE toont Zijn verbazing en verontwaardiging. De zegeningen worden in herinnering geroepen: de bevrijding uit Egypte en de bescherming in de woestijn.

Jeremia 2:7 Ik bracht u in een vruchtbaar land, om de vrucht daarvan en het goede ervan te eten. Maar toen u daarin kwam, verontreinigde u Mijn land en hebt u Mijn eigendom tot een gruwel gemaakt.
De HEERE bracht Israël uit Egypte in het vruchtbare land Kanaän om daar te genieten van het goede door God aan hen gegeven (zie Exodus 3:8). Maar het volk ‘verontreinigde’ het  land met het dienen van de afgoden (Jer. 1:16). Het land Kanaän, eigendom van de HEERE, was als erfenis aan het volk gegeven om te bewonen. Maar het wordt  op zo’n wijze verontreinigd, dat het Hem een ‘gruwel’ is. ‘Gruwel’ wijst naar overspel met andere goden (Jer.2:20) en het vergieten van onschuldig bloed Jer. 2:34).

Jeremia 2:8 De priesters zeiden niet: Waar is de HEERE? en zij die de wet hanteerden, kenden Mij niet; de herders kwamen in opstand tegen Mij, en de profeten profeteerden namens de Baäl. Ze gingen achter dingen aan die niet van nut zijn. 9. Daarom zal Ik u nog ter verantwoording roepen, spreekt de HEERE, ja, uw kleinkinderen zal Ik ter verantwoording roepen.

Opnieuw klinkt dezelfde verbazing als in vers 6. De leiders van het volk (priesters, Levieten) nemen hun verantwoordelijkheid niet en zijn zich daarvan ook niet bewust. ‘Herders’ zijn zowel de politieke leiders en overige leidinggevenden. (Jer.23:1-2)

Deze tekst vormt een verbinding met Parasha Masei, omdat Numeri 35:34 gaat over het verontreinigen van het land. Jeremia spreekt voor het eerst over de Kanaänitische vruchtbaarheidsgod Baäl (zie Richt. 6). Als Israël de afgoden blijft nalopen, zal het land te gronde gaan (Jer. 2:36-37). Het volk verliest het rechte zicht op de waarheid (Jer.2:23 – Jer. 2:29-30). De HEERE kan dit niet aanzien en begint daarom een rechtsgeding (Hosea 4:1). Dat strekt zich uit over vier generaties. Van hun voorouders (Jer. 2:5) tot hun kleinkinderen (Jer. 2:9) (zie Deut. 5:29, Exodus 34:7 en Numeri 14:18)

Jeremia 2:10 Voorzeker, steek over naar de eilanden van de Kittiërs, en zie, stuur boden naar Kedar en let aandachtig op, en kijk of iets dergelijks gebeurd is. 11. Heeft een volk ooit goden ingeruild?  en het zijn niet eens goden! – Toch heeft Mijn volk zijn Eer ingeruild voor wat niet van nut is.

De toehoorders worden opgeroepen naar de Griekse (Kittiërs) einanden en naar Kedar, een gebied in de Arabische woestijn, te gaan om daar te onderzoeken of er ook godenruil wordt gedaan. Dat is niet het geval. Terwijl de afgoden van die volken niet eens goden zijn, heeft Israël het dienen van de enige ware God (Eer) ingewisseld voor lege, nutteloze afgoderij.  Vreemd genoeg waren de heidenen rond Israël trouwer aan hun heidense goden dan Israël aan de levende God.

Jeremia 2:12 Ontzet u hierover, hemel, huiver, wees zeer ontsteld, spreekt de HEERE. 13. Want Mijn volk heeft een dubbel kwaad gedaan: Mij, de bron van levend water, hebben zij verlaten, om zich bakken uit te hakken, lekkende bakken, die geen water houden.

Een vraag voor allen die zich op dit moment ook van Yeshua haMashiach verwijderd hebben, “Wees eens eerlijk! Wat heeft het jou opgeleverd? Wat heeft het voor nut gehad?  Hij is ‘de Bron van het levende water’! Wat een dwaasheid om Hem te verlaten en zichzelf ‘bakken uit te hakken, lekkende bakken, die geen water houden’! Of om naar de rivieren van Egypte en Assur te gaan (beelden van de wereld) om daar water te drinken.”

Ten eerste is het onvoorstelbaar, dat mensen zo dwaas, ontrouw en ondankbaar kunnen zijn. Maar het is ook iets om bang voor te zijn, want een rechtvaardige God moet wel reageren op zo'n buitensporige rebellie. Ten slotte is het een verlatenheid , omdat het resultaat van het oordeel over zulke opstandige mensen weinig zal doen overblijven.

Jeremia 2:13 Want Mijn volk heeft een dubbel kwaad gedaan: Mij, de bron van levend water, hebben zij verlaten, om zich bakken uit te hakken, lekkende bakken, die geen water houden.

 Ze hebben Mij verlaten, de fontein van levend water : Dit was het eerste van de kwaden van Gods volk - God verlaten. Dit is heel kwalijk, niet alleen vanwege ontrouw en ondankbaarheid, maar ook omdat het dwaas is; God is de fontein van levend water, de nooit eindigende voorraad van de goede, zuivere, essentiële levensbehoeften.

Ze hakten zich bakken uit - gebroken bakken die geen water kunnen bevatten: Nadat ze God's fontein van levend water hadden verlaten, werkte Zijn volk hard (zelf uitgehouwen) voor een inferieure voorraad (reservoirs). Ondanks hun harde werk, eindigden ze alleen met ondeugdelijke reservoirs die geen water kunnen bevatten.

Levend water dat wordt opgeslagen in reservoirs, houdt op te leven; het staat stil en het proces van verval begint... Bovendien kan de mens nooit bakken houwen die standhouden. Ze zijn allemaal kapot. We moeten bij stromend water leven, anders gaan we verloren. Hoeveel arbeid is er in gestoken om bakken van goud en zilver uit te houwen, om grote en mooie huizen te hebben, waarvan men dacht nog jaren te kunnen genieten. Menigeen is daarin bedrogen  uitgekomen.

Jeremia 2:14 Is Israël dan een slaaf? Of is hij een in huis geboren slaaf? Waarom is hij dan een prooi geworden? 15. Jonge leeuwen brullen tegen hem, zij hebben hun stem laten klinken. Zij hebben van zijn land een woestenij gemaakt. Zijn steden zijn vernietigd, zodat niemand er meer woont. 16. Ook de mensen van Nof en Tachpanhes graasden u de schedel af. 17. Doet u dit niet uzelf aan doordat u de HEERE, uw God, verlaat op het moment dat Hij u op de weg leidt? 18. Welnu, wat hebt u met de weg naar Egypte om het water van Sichor te drinken? En wat hebt u met de weg naar Assyrië om het water van de rivier de Eufraat te drinken? 19. Uw eigen kwaad straft u en uw eigen afdwalingen bestraffen u. Erken en zie in, dat het kwaad en bitter is de HEERE, uw God, te verlaten, en dat er geen vreze voor Mij bij u is, spreekt de Heere, de HEERE van de legermachten.

Is Israël dan een slaaf? Waarom is hij dan een prooi geworden? Eerder, in vers 3 van dit hoofdstuk lazen we nog dat als een vijand een getrouw Israël wat aandeed, dan kregen ze het met God te doen. Nu moeten ze zich maar eens afvragen waarom het land is verwoest en het volk is overmeesterd en weggevoerd.

Ook de mensen van Nof en Tachpanhes graasden u de schedel af. ...... Israël en Juda dachten steun te krijgen van de omliggende landen, waaronder Egypte. Maar Jeremia maakt een einde aan dit positieve zelfbeeld van Israël. Dat het allemaal niet zo positief is blijkt wel uit Nof en Tachphanes (twee steden in Egypte, zie vers 34). Zij hebben blijkbaar het volk aangevallen en geplunderd (de schedel afgeweid, Jer. 43:7-9) Doet u dit niet uzelf aan door de HEERE te verlaten? (17)

wat hebt u met de weg naar Egypte om het water van Sichor te drinken?  Steeds weer zoekt Israël, maar ook de zogenaamde  christelijke politiek zijn hulp bij aardse machten. Ook in deze tijd zien we Israëls vredesverdragen met moslimlanden en de hulp van grootmachten. Ze vergeten dat God koning over hen wil zijn, die in Yeshua het beeld van het levende water is. Dat zou hun werkelijk heil doen ervaren. 

De Heere, Yeshua haMashiach, zegt heel duidelijk: “Een ieder, die van dit water drinkt, zal weer dorsten”, maar wie drinkt van het water dat Yeshua haMashiach geeft, zal in eeuwigheid geen dorst meer hebben (Johannes 4:10, Johannes 4:13-4 Lees Johannes 4:1-30!)

Uw eigen kwaad straft u en uw eigen afdwalingen bestraffen u....... Israël haalt zelf het onheil over zich. En dat is in de wereld net zo.

Jeremia 2:20 Want van oude tijden af heb Ik uw juk gebroken, en uw banden verscheurd. U zei: Ik wil niet dienen! Maar op elke hoge heuvel en onder elke bladerrijke boom legt u zich als een hoer neer. 21. Ík had u evenwel geplant, een edele wijnstok, een volkomen betrouwbare stek. Hoe bent u tegenover Mij dan veranderd in wilde ranken van een uitheemse wijnstok? 22. Want al zou u zich met loog wassen en zou u zeep in overvloed gebruiken, uw ongerechtigheid blijft een vlek voor Mijn aangezicht, spreekt de Heere HEERE. 23. Hoe kunt u dan zeggen: Ik heb mij niet verontreinigd, ik ben niet achter de Baäls aan gegaan? Zie uw weg in het dal, erken wat u gedaan hebt, snelle, op al haar wegen heen en weer rennende, jonge vrouwtjeskameel, 24. een wilde ezelin, gewend aan de woestijn, de wind opsnuivend in haar hitsigheid, haar bronst – wie kan haar keren? Allen die haar zoeken, hoeven zich niet af te matten, in haar maand zullen zij haar wel vinden. 25. Verhinder uw voet barrevoets te gaan en verhinder uw keel de dorst! Maar u zegt: Daar is geen hoop op, nee, want ik heb vreemden lief, en ik zal achter hen aan gaan.

Ik wil niet dienen!...... Hier horen we hoe Israël op onbeschaamde manier zegt “Ik wil niet dienen”.  Helaas is dit ook de houding van veel christenen van vandaag ten opzichte van Hem Die hen verlost heeft. Al  wagen ze het misschien nog niet om dit zo duidelijk onder woorden te brengen, maar het is net zo verdrietig! Ze bedriegen zichzelf, want het is onmogelijk geen enkele meester te dienen. Weigeren om Yeshua haMashiach gehoorzaam te zijn, betekent dat men direct vervalt in afgodendienst (Jeremia 2:28).

ik ben niet achter de Baäls aan gegaan? Zie uw weg in het dal, erken wat u gedaan hebt... hoe kun je dat zeggen, jij die op alle hoogten en groene heuvel de hoer speelde, en in het dal, het Hinnondal waar de vreselijke zonde voor de Moloch plaatsvond. 

(Jeremia 7:31-32; 2 Koningen 23:10)

heen en weer rennende, jonge vrouwtjeskameel,  een wilde ezelin...... Commentaar op dit vers van Kingcomments:
De HEERE vergelijkt hen weinig vleiend, maar treffend, met een rusteloos “heen en weer rennende, jonge vrouwtjeskameel”. Ze zijn als de ongetemde, “wilde ezelin” (Jeremia 2:24) die in wilde vrijheid leeft (vgl. Genesis 16:12). In het volgen van haar drift om te paren is ze niet tegen te houden als ze in de buurt van een ezel is. “In haar maand” houdt verband met de vruchtbare periode van deze ezelin. We kunnen hier denken aan het woord “als de begeerte bevrucht is, baart zij zonde” met als gevolg de dood (Jakobus1:15).”

Verhinder uw voet barrevoets te gaan en verhinder uw keel de dorst! ..... 

De blote voet en voortdurende dorst waren kenmerken van de ballingschap en de slaaf. Dit was het lot van het noordelijke koninkrijk Israël en zou ook het lot van Juda zijn als ze zich niet tot de HEER wendden. Toch beantwoordden ze Gods oprechte oproep met een berusting in hun afgoderij en lot: Er is geen hoop.. ik ga achter hen aan die ik liefheb...

(de afgoden)

Jeremia 2:27 Tegen een stuk hout zeggen ze: U bent mijn vader, en tegen een steen: U hebt mij gebaard, want Mij keren zij de nek toe en niet het gezicht, op het moment echter dat onheil hen treft, zeggen ze: Sta op en verlos ons. 28. Maar waar zijn dan uw goden, die u zich gemaakt hebt? Laten die opstaan, als zij u kunnen verlossen op het moment dat onheil u treft, want het aantal van uw goden is even groot als uw steden, Juda.

Afgoden zijn niet altijd de beeldjes van goden, maar kunnen in onze tijd ook personen, overheden of kerken zijn, de natuur of psychologische denkbeelden die niet op de Bijbel gefundeerd zijn, zoals mindfulness, yoga enz. Alles waarop men zijn vertrouwen stelt, waarvan men voorspoedige verwachtingen heeft.

Ondanks alles is YHWH bewogen met Zijn volk. Hij probeert hen de ogen te openen. Hij roept hen op om te erkennen dat zij verkeerde wegen zijn gegaan en om  terug te keren (vers 32 hieronder)

Jeremia 2:32 Zou een jonge vrouw haar sieraad vergeten, een bruid haar gordels? Toch heeft Mijn volk Mij vergeten, dagen, niet te tellen.

Een bruid vergeet toch ook niet om op haar trouwdag haar sieraden om te doen? Het volk vergeet wel zijn bruidstijd. Het is God totaal vergeten.

Jeremia 2:33 Wat weet u goed uw weg om wellust te zoeken. Daarom hebt u ook de slechtste hoeren uw wegen geleerd.
34. Ja, in de zomen van uw kleren is gevonden het bloed van arme, onschuldige zielen, die u niet hebt betrapt op inbraak,
ja, dat slaat alles. 35. En dan zegt u nog: Voorzeker, ik ben onschuldig, ja, Zijn toorn is van mij afgewend. Zie, Ik ga met u een rechtszaak voeren, omdat u zegt: Ik heb niet gezondigd. 36. Wat trekt u er veel op uit en verandert u telkens uw weg? U zult ook door Egypte beschaamd worden, zoals u door Assyrië beschaamd bent. 37. Ook vandaar zult u uitgaan met uw handen op uw hoofd, want de HEERE verwerpt hen op wie u vertrouwt. Met hen zult u niet voorspoedig zijn.

Wat weet u goed uw weg om wellust te zoeken......Juda was van mening dat het nastreven van liefde zichzelf rechtvaardigt.

Dat wellust als vorm van liefde als mooi kon worden beschouwd. In hun denken was de liefde voor afgoden net zo goed als de liefde van YHWH, hun verbondsgod. De wellust uitgedrukt in wat YHWH hoererij noemde, was voor hen een goede vorm van liefde. God accepteerde hun poging om op hun manier liefde te zoeken niet. 

u hebt ook de slechtste hoeren uw wegen geleerd.....  ze hebben zelfs slechte hoeren hun liefdesprincipes geleerd.

in de zomen van uw kleren is gevonden het bloed van arme, onschuldige zielen.... Er werd veel onschuldig bloed vergoten door het volk. Dat bloed kleeft aan de zomen van hun kleding. Het volk beweert onschuldig te zijn en beroept zich op de afwending van Gods toorn, door te zeggen dat ze onschuldig daaraan zijn.  (Jeremia 23:20 en Jeremia 30:24) Het probeert op deze manier onder de aanklacht uit te komen. Maar God zal een rechstzaak voeren, ze komen beslist niet onder de toorn uit.
Dit vers vormt een verbinding met Parasha Masei: Het handelt in eerste instantie over het verontreinigen van het Land door het aanbidden van Baäl goden. Maar vergeet niet dat het land ook kan verontreinigd worden als er geen verzoening gedaan is voor het bloed van de opzettelijke en onopzettelijke moorden.  (Numeri 35:34)
Waarom verandert u telkens uw weg?  eerst ben je hier, dan ben je daar - je vliegt van de ene bondgenoot naar de andere en vraagt ​​om hulp. Er was geen reden voor hen om rond tedwalen- ze hadden meteen op de HEER moeten vertrouwen.
vandaar zult u uitgaan met uw handen op uw hoofd...... hulp zoeken bij heidense volken? Je zult door hen meegevoerd worden met je handen op je hoofd als onderworpen slaven.
Het hoofdstuk dat met zo'n mooie herinnering begon eindigt heel erg droevig. Maar het is de werkelijkheid, ook nu in onze tijd. Ook hier wordt gezondigd onder de vlag van liefde. Ook hier wordt bloed vergoten van onschuldige kinderen. Ook hier gaan de leiders niet bij God te rade, maar handelen naar eigen inzicht. Ook hier vinden praktijken plaats die te schandelijk zijn om te noemen. Maar God zal het kwaad uit deze wereld uitroeien, Hij zal een rechtszaak aanspannen. Onze ogen zijn op Hem gericht. 

JEREMIA 3:4

Jeremia 3:4 Zult u dan niet van nu af aan tot Mij roepen: Mijn Vader, U bent de Leidsman van mijn jeugd?

Het volk roept God aan als zijn Vader en Leidsman. Automatisch gaat het volk ervan uit dat God zal vergeven en niet toornig zal zijn. YHWH zegt tot het volk: u spreekt mooie woorden, maar weigert met de zonden te breken. Er is weinig schaamte en zondebesef. Ze moeten zichzelf zien als degenen die begeleiding en hulp nodig hebben, zoals een jongere begeleiding en hulp nodig heeft van zijn vader.

JEREMIA 4:1-2

Jeremia 4:1 Als u zich bekeert, Israël, spreekt de HEERE, bekeer u dan tot Mij, en als u uw afschuwelijke afgoden wegdoet van voor Mijn aangezicht, en niet meer rondzwerft, 2. en als u zweert: Zo waar de HEERE leeft, in waarheid, in recht en in gerechtigheid, dan zullen de heidenvolken zich in Hem zegenen en zich in Hem beroemen.

Deze verzen vormen het antwoord van YHWH op de gestelde vragen van het volk. Jeremia 3:21-25. Als het volk zich bekeert, zal het zijn afschrikwekkende afgoden, die zelfs in de tempel staan (Jeremia 7:30), moeten wegdoen. Ook mag het volk niet rondgaan (zo zwerf niet om) en de goden op de heuvels aanbidden. Vanwege het schandalige gedrag van het volk, spotten de heidenen op dit moment met God en het volk. Maar als het volk de HEERE zal dienen en volgen, dan zal het oprecht kunnen zweren in Zijn Naam. Het heeft tot gevolg dat de samenleving zal worden gekenmerkt door waarheid, recht en gerechtigheid..Omringende volken merken dit op en zullen delen in de zegeingen. Ook zullen zij de HEERE roemen.  Dit doet denken aan de belofte die Abraham van God ontving (zie Gen. 22:18) waarvan Paulus spreekt in Romeinen 11. Als het volk hierin gehoorzaam zou zijn dan zouden ze niet in ballingschap gaan.

Als Juda hierop in zou gaan, als Israël hierop zou zijn ingegaan, dan beantwoordden ze aan het doel door God gesteld, om een LICHT voor de wereld te zijn. Het is hier in het gebroken bestaan niet tot stand gekomen. Maar het zal zeker zo gaan als Gods Koninkrijk aanbreekt.