English & other languages: click here!

Jeremia 38 - Jeremia in de put

De vorsten van koning Zedekía hebben Jeremia tot het hele volk horen spreken. Jeremia heeft namelijk gezegd dat de HEERE zegt dat wie in Jeruzalem blijft, door het zwaard, de honger of de pest zal sterven, maar wie naar de Chaldeeën vertrekt, die zal in leven blijven. Ze vinden dat Jeremia gedood moet worden omdat hij alle overgebleven strijdbare mannen in deze stad zou ontmoedigen.  Ze zeggen dat tegen de koning en werpen hem in een kuil, waar hij wegzakt in het slijk. Ebed-Melech schiet Jeremía te hulp. Jeremía zegt de koning het oordeel aan. Het oordeel zal zeker komen als hij zich niet overgeeft aan de koning van Babel.

We hebben Zedekia al leren kennen als een koning die niet zo sterk in zijn schoenen staat. Aan de ene kant wil hij horen wat God door Jeremia te zeggen heeft, aan de andere kant durft hij niet naar dat woord te handelen uit angst voor de andere regeringspersonen in Jeruzalem. In hoofdstuk 38 komen we die zigzaghouding van Zedekia steeds weer tegen.

Wie iets tegen de koning zegt, krijgt altijd gelijk. Op het moment dat hij met Jeremia spreekt, staat hij Jeremia heel graag een goede behandeling toe. (Jeremia 37:20-21)  Maar als anderen kritiek hebben op Jeremia, dan luistert hij naar hèn en geeft hij zelfs toestemming om Jeremia te doden (v. 4,5)! Je merkt hoe de koning muurvast is komen te zitten tussen zijn vorsten (mederegeerders) en de HEERE. Hij wil de eersten niet kwijt en ook God niet. Kiezen kan hij niet. Als een keuze voor de HEERE hem wat kost, laat hij zijn hoofd hangen. Zijn eigen positie is hem dan belangrijker. Hij laat zijn houding beïnvloeden door de mensen om hem heen, voor wie hij angst heeft. De Bijbel waarschuwt ons voor zo'n houding:
"Vrees voor mensen spant een strik, maar wie op de Here vertrouwt, is onaantastbaar." (Spreuken 29:25) Deze twee verschillende levenshoudingen worden duidelijk geïllustreerd in de personen in dit hoofdstuk: Zedekia en Ebed-Melech. Ook Jeremia is zo'n onaantastbare gelovige. 


Jeremia 38:1-3 Toen Sefatja, de zoon van Mattan, en Gedalia, de zoon van Pashur, en Juchal, de zoon van Selemja, en Pashur, de zoon van Malchia, de woorden hoorden die Jeremia tot heel het volk bleef spreken: 2. Zo zegt de HEERE: Wie in deze stad blijft, zal door het zwaard, door de honger of door de pest sterven, maar wie vertrekt naar de Chaldeeën, zal in leven blijven. Hij zal zijn leven tot buit hebben en in leven blijven. 3. Zo zegt de HEERE: Deze stad zal zeker in de hand van het leger van de koning van Babel worden gegeven. Dat zal haar innemen.


Sefatja, de zoon van Mattan, Gedalia, de zoon van Pashur, Juchal, de zoon van Selemja, en Pashur, de zoon van Malchia........Deze mannen waren vorsten aan het hof van Zedekia. Enkele van die namen kwamen in onze tijd "aan het licht"

De archeoloog Eilat Mazar had in 2005 een kleine zegelafdruk gevonden tijdens de geautoriseerde blootlegging van een laag uit de tijd van de verwoesting van Jeruzalem in 607 v.Chr. Het zegel bevat de oude Hebreeuwse naam "Jehoechal ben Sjelemjahoe", wat in het Nederlands "Juchal, de zoon van Selemja" is. Later werd er in dezelfde laag, slechts een paar meter daar vandaan, nog een zegelafdruk gevonden, met de naam "Gedalja, de zoon van Pashur". Niet te verwarren met "Gedalja de zoon van Safan". 

Wie in deze stad blijft, zal door het zwaard, door de honger of door de pest sterven...... zoals Jeremia consequent had gedaan tijdens zijn profetische bediening, zei hij tegen de mensen dat ze zich moesten overgeven aan de Babyloniërs, zodat ze in ballingschap konden leven en wachten op het beloofde herstel van Gods volk. Het was Gods remedie voor Zijn ongehoorzaam volk en zijn koning. Maar wat een vernedering voor een koning. Toch is er wanneer men zich vernedert voor God overwinning: 1 Petrus 5:6 Verneder u dan onder de krachtige hand van God, opdat Hij u op Zijn tijd verhoogt. De keerzijde is de dood.

Deze stad zal zeker in de hand van het leger van de koning van Babel worden gegeven...... De boodschap, die Jeremia uitspreekt, blijft onveranderd. 


Jeremia 38:4-6 Toen zeiden de vorsten tegen de koning: Laat deze man toch ter dood gebracht worden, want zo ontmoedigt hij de strijdbare mannen die in deze stad zijn overgebleven, en ontmoedigt hij heel het volk door zulke woorden tot hen te spreken. Deze man zoekt immers niet het welzijn voor dit volk, maar het onheil. 5. Toen zei koning Zedekia: Zie, hij is in uw hand, want de koning zou niets tegen u kunnen beginnen. 6. Zij namen Jeremia mee en wierpen hem in de put van Malkia, de zoon van de koning, die op het binnenplein van de wacht was, en zij lieten Jeremia met touwen neer. Nu was er geen water in de put, maar wel slijk. In dat slijk zakte Jeremia weg.


Laat deze man toch ter dood gebracht worden........ Zedekia heeft Jeremia overgegeven in de handen van de vorsten, die hem nog niet direct doodden. Ze laten hem neerdalen in een put, waar hij wegzakte in het slijk. Ze weten dat hij dan langzaam zal sterven.

Deze man zoekt immers niet het welzijn voor dit volk, maar het onheil.......  zo zien ze het in hun verblinding. Maar het omgekeerde is de waarheid!

zij lieten Jeremia met touwen neer......  Jeremia werd in een put neergelaten. 

Jeremia - Jozef - Daniël profeten van God, onschuldig in de put. 

Naast Jeremia zijn er in de Bijbel nog twee mensen die onschuldig in de put zijn gegooid. Jozef: We kennen de geschiedenis van Jozef die gehaat werd om zijn profetische dromen en omdat hij geliefd was door zijn vader. 

Daniël:  een profeet die om zijn wijsheid en inzicht geliefd was door Darius, de koning van Perzië, van wie hij om die reden een voorkeurspositie kreeg. Uit jaloezie  gebruikten ze een list om Daniël weg te werken.
Jeremia:  omdat de leiders de profetische boodschap van God niet wilden horen.

YESHUA: Lukas 11:54 zij spanden strikken voor Hem om iets uit Zijn mond op te vangen, opdat zij Hem zouden kunnen beschuldigen. .... en Hem te doden.....

Maar zij werden gered door YHWH, als door de dood heen. 


Jeremia 38:7-13 Toen Ebed-Melech, de Cusjiet, een van de hovelingen die toen in het huis van de koning was, hoorde dat zij Jeremia in de put hadden gezet – de koning verbleef in de Benjaminpoort – 8. ging Ebed-Melech het huis van de koning uit en sprak tot de koning: 9. Mijn heer de koning, deze mannen hebben slecht gehandeld in alles wat zij de profeet Jeremia hebben aangedaan, die zij in de put geworpen hebben, terwijl hij ter plekke zou kunnen sterven van de honger, want er is geen brood meer in de stad. 10. Toen gebood de koning de Cusjiet Ebed-Melech: Neem vanhier dertig man onder uw bevel, en trek de profeet Jeremia uit de put omhoog, voordat hij sterft. 11. Zo nam Ebed-Melech de mannen onder zijn bevel, ging het huis van de koning binnen tot onder de schatkamer, en nam vandaar versleten kleren en versleten lompen mee. Die liet hij met touwen naar beneden, naar Jeremia in de put. 12. En Ebed-Melech, de Cusjiet, zei tegen Jeremia: Doe deze versleten kleren en lompen toch onder uw oksels, en daaronder de touwen. Zo deed Jeremia. 13. Toen trokken zij Jeremia met de touwen op en haalden hem uit de put omhoog. En Jeremia verbleef op het binnenplein van de wacht.


Toen Ebed-Melech, hoorde dat zij Jeremia in de put hadden gezet........ Gelukkig heeft de HEERE Jeremia niet overgeleverd aan de willekeur van Zedekia. God zorgt ervoor dat het leven van Zijn knecht gespaard blijft. Hij gebruikt daarvoor een buitenlander, Ebed-Melech (‘Knecht van de koning’). Hij is een ambtenaar aan het hof (één der kamerlingen) en afkomstig uit Ethiopië/Nubië (het tegenwoordige Noord-Soedan). De Statenvertaling noemt hem een "Moorman". Deze Ebed Melech blijkt wel een man uit één stuk te zijn. Hij vindt het geen stijl dat Jeremia in de put is gegooid. 
Til de profeet Jeremia uit de kerker voordat hij sterft........ Ebed Melech  gaat naar de koning met de vraag of Jeremia weer uit de put mag. Hij zegt ook duidelijk dat die mannen Jeremia kwaad hebben aangedaan.

Hier zien we weer die wonderlijke zigzagkoers van de koning ten opzichte van Jeremia. Hij geeft toestemming aan Ebed-Melech om Jeremia weer uit de put te halen. ‘t Is duidelijk dat Zedekia niet weet wat hij met de profeet aan moet. Tussen Ebed-Melech en de koning zien we een heel duidelijk verschil van karakter. Toen de vorsten van Juda eisten dat Jeremia in de put zou worden geworpen, stemde hij toe. Toen Ebed-Melech hem vroeg om naar buiten gebracht te worden, stemde hij ook in. Waar de koning aan iedereen toegeeft, staat Ebed-Melech voor het recht. Hij durft zijn leven ervoor in de waagschaal te leggen. Wie God wil gehoorzamen, zal die keus moeten maken: de keus tussen zelfhandhaving of zelfverloochening. Uiteindelijk kwam Zedekia blind en van kinderen beroofd, als gevangene te Babel (Jeremia 39:6-7) en Ebed-Melech mocht het leven behouden. (Zie Jeremia 39:15-18) Dat is nou Gods werk!

Toen gebood de koning: Neem dertig man onder uw bevel, en trek de profeet Jeremia uit de put omhoog, voordat hij sterft.....  Dat bevel van de dertig man die mee moesten heeft waarschijnlijk te maken met een mogelijke verhinderingspoging van de zijde van de vorsten. 

Doe deze versleten kleren en lompen toch onder uw oksels, en daaronder de touwen......  Ebed Melech liet zien dat hij bewogen was met Jeremia. Hij was invoelend en meelevend. 

Hij wist dat Jeremia's uitgeteerde lichaam schade zou oplopen van de ruwe touwen. Daarom gaf hij versleten kleren en lompen om zijn oksels en armen te beschermen als hij door touwen opgetrokken zou worden. 

En Jeremia verbleef op het binnenplein van de wacht...... Jeremia was bevrijd uit de put  maar bleef een gevangene, weliswaar op een betere plek: het binnenplein van de wacht.


Jeremia 38:14-16 Daarop stuurde koning Zedekia boden en liet de profeet Jeremia bij zich halen bij de derde ingang die aan het huis van de HEERE is. De koning zei tegen Jeremia: Ik wil u iets vragen; u mag niets voor mij verbergen. 15. Jeremia zei tegen Zedekia: Als ik u iets bekendmaak, zult u mij dan zeker niet ter dood brengen? Want als ik u raad geef, luistert u toch niet naar mij! 16. Toen zwoer koning Zedekia Jeremia in het geheim: Zo waar de HEERE leeft, Die ons dit leven geschonken heeft: ik zal u niet ter dood brengen en u niet geven in de hand van deze mannen die u naar het leven staan!


Koning Zedekia liet de profeet Jeremia bij zich halen bij de derde ingang die aan het huis van de HEERE is...... Voor de vierde keer roept Zedekia Jeremia's hulp in. Daar staat de uitgemergelde gevangene voor de koning. De koning kan hem maken en breken. Toch is Jeremia niet de afhankelijke, Zedekia weet dat hij afhankelijk is van Jeremia.

In zijn hart zal Zedekia blij zijn geweest met de actie van Ebed-Melech. Want hij blijft respect houden voor Jeremia. Diep in zijn hart weet Zedekia dat Jeremia het woord van God spreekt. Hij wil er alleen niet aan. Dat is zijn struikelblok. Hij handhaaft zichzelf en onderwerpt zich niet aan de hoogste rechtvaardige Koning. Zijn hoop is tot het laatste moment dat Jeremia nog eens zal zeggen: ‘de HEERE vindt het nu allemaal wel genoeg, nu komt er uitredding’. 
Als ik u iets bekendmaak, zult u mij dan zeker niet ter dood brengen.....? Met de bekrachtiging van een eed belooft Zedekia dat hij Jeremia niet zal doden en hem niet in handen zal geven van de mannen die hem uit de weg willen ruimen.


Jeremia 38:17-18 Jeremia zei tegen Zedekia: Zo zegt de HEERE, de God van de legermachten, de God van Israël: Als u inderdaad naar de vorsten van de koning van Babel toe zult gaan, dan zult u uw ziel in leven houden en zal deze stad niet met vuur verbrand worden. Dan zult u in leven blijven, u en uw huis. 18. Maar als u niet naar de vorsten van de koning van Babel toe gaat, dan zal deze stad gegeven worden in de hand van de Chaldeeën. Zij zullen haar met vuur verbranden en ú zult aan hun hand niet ontkomen.


Zo zegt YAHWEH, de God van de legermachten........ Maar Jeremia heeft onveranderd dezelfde boodschap. Jeruzalem zal verwoest worden en Zedekia zal niet kunnen ontsnappen. 


Als u naar de vorsten van Babel toe zult gaan, dan zult u uw ziel in leven houden en zal deze stad niet verbrand worden....... Er is nog één uitweg. Zedekia krijgt van God nog een laatste grote kans. Nog één keer wil God hem een weg ten leven voorhouden. Maar die weg vraagt wel vastberaden stappen van de koning, dwars tegen de heersende publieke opinie in. Hij moet de verdediging van Jeruzalem opgeven en zich overgeven aan de vijand. Dan zal hijzelf en Jeruzalem gespaard blijven (v. 17,18).


Jeremia 38:19-23 Daarop zei koning Zedekia tegen Jeremia: Ik ben beducht voor de Judeeërs die naar de Chaldeeën zijn overgelopen, dat zij mij in hun hand zullen geven en zij de spot met mij zullen drijven. 20. Toen zei Jeremia: Zij zullen u niet overgeven. Luister toch naar de stem van de HEERE in wat ik tot u spreek, dan zal het u goed gaan en zal uw ziel het leven behouden. 21. Maar als u weigert te vertrekken, dan is dit het woord dat de HEERE mij heeft laten zien: 22. Zie, al de vrouwen die in het huis van de koning van Juda zijn overgebleven, zullen naar de vorsten van de koning van Babel weggevoerd worden, terwijl zij zeggen: Misleid hebben zij u en u overwonnen, de mannen met wie u in vrede leefde; uw voeten zonken weg in de modder, zij weken terug. 23. Want men zal al uw vrouwen en al uw zonen naar de Chaldeeën wegvoeren. En zelf zult u niet aan hun hand ontkomen, maar u zult door de hand van de koning van Babel gegrepen worden en deze stad zal in vlammen opgaan.


Ik ben beducht voor de Judeeërs die naar de Chaldeeën zijn overgelopen..... Uit de reactie van Zedekia op deze boodschap blijkt zijn angst. Hij durft zich niet over te geven uit angst voor de Judeeërs die naar de Chaldeeën (of: Babyloniërs) zijn overgelopen (v. 19). Ze zouden hem kunnen bespotten met:  “We gaven ons maanden geleden over toen je ons zei door te gaan met vechten.Kijk eens wie zich nu heeft overgegeven.Kijk eens hoe fout je was." Dat bezwaar neemt Jeremia echter weg (v. 20)
Toen zei Jeremia: "Zij zullen u niet overgeven. Luister toch naar de stem van de HEER.......". 
Jeremia deed een beroep op de koning, wetende dat het altijd het veiligst is om de stem van de HEER te gehoorzamen.Er zou een zegen zijn voor gehoorzaamheid (het zal u goed gaan en uw ziel zal leven) en een vloek voor ongehoorzaamheid (zij zullen al uw vrouwen en kinderen aan de Chaldeeën overgeven).

Luisteren naar Gods Woord is niet voldoende. Gods Woord vraagt om handelen overeenkomstig dat Woord.

Misleid hebben zij u en u overwonnen, de mannen met wie u in vrede leefde.....  Dit zullen Zedekia's overgebleven vrouwen zeggen die aan de vorsten van Babel worden gegeven:  "de mannen met wie u in vrede leefde" (hiermee worden de vorsten, mederegeerders of politieke vrienden van Zedekia bedoeld).  
Men zal al uw vrouwen en al uw zonen naar de Chaldeeën wegvoeren..... niets kan het feit veranderen dat, als Gods instrument, de Babyloniërs Juda en Jeruzalem komen, zij alles zouden veroveren en verwoesten. Toch zou de gehoorzaamheid of ongehoorzaamheid van één verantwoordelijke man de omvang van de ellende en vernietiging van die verovering kunnen bepalen.


Jeremia 38:24-28 Toen zei Zedekia tegen Jeremia: Laat niemand weet krijgen van deze woorden, dan zult u niet sterven. 25. Want als de vorsten zullen horen dat ik met u gesproken heb en dan bij u komen en tegen u zeggen: Maak ons toch bekend wat u gesproken hebt tot de koning; u mag het niet voor ons verbergen, dan zullen wij u niet ter dood brengen: Wat heeft de koning tot u gesproken? 26. – dan moet u tegen hen zeggen: Ik stortte mijn smeekbede voor de koning uit, dat hij mij niet zou laten terugbrengen naar het huis van Jonathan om daar te sterven. 27. Toen nu al de vorsten naar Jeremia kwamen en hem ondervroegen, maakte hij het hun bekend overeenkomstig al deze woorden die de koning geboden had. En zij lieten hem met rust, omdat de zaak zelf niet ter ore was gekomen. 28. Jeremia verbleef op het binnenplein van de wacht tot de dag dat Jeruzalem werd ingenomen. Hij was er nog toen Jeruzalem werd ingenomen.


Laat niemand weet krijgen van deze woorden...... hieruit blijkt weer de "vrees voor mensen" van koning Zedekia, die hem in een strik gevangen houdt. De voorgeschreven smoes was: "ik heb de koning gevraagd om me te laten terugbrengen naar de gevangenis in het huis van Jonathan de schrijver om daar te sterven." (zie ook Jer. 37:15) Het was de laatste ontmoeting met de koning.

Jeremia maakte het de vorsten bekend overeenkomstig al deze woorden die de koning geboden had...... toen de vorsten bij Jeremia kwamen vertelde hij het verhaal wat de koning gezegd had. Jeremia begreep  dat de boodschap van God voor Zedekia iets was tussen God en Zedekia, die hij niet aan de grote klok moest hangen. 

Jeremia verbleef op het binnenplein van de wacht tot de dag dat Jeruzalem werd ingenomen..... de koning laat Jeremia weer teruggaan naar de gevangenis op het binnenplein. Zo zal het voor de vorsten lijken alsof hij streng gebleven is tegenover de profeet. Hijzelf trok zich terug in zijn comfortabel paleis, maar in grote zorg en angst. Hij had het laatste genadige aanbod op redding afgeslagen. Dit in afwachting van de dag dat Jeruzalem werd ingenomen. Die dag werd Jeremia gered, maar de koning onderging een verschrikkelijk lot.