English & other languages: click here!

Jeremia 41- Gedalia vermoord

De stadhouder Gedália wordt daadwerkelijk gedood. De sterke kant van Gedalia, zijn grote vertrouwen, bleek ook zijn zwakke kant te zijn. Het werd hem fataal. Hij was gewaarschuwd. Er volgt een laffe moordpartij in de stad Mizpa onder leiding van Ismaël. Als deze is gevlucht naar Ammon, raken de overgebleven Joden in paniek. Uit angst voor wraak van de koning van Babel willen ze vluchten naar Egypte. Ismaël vluchtte naar Ammon.


Ga naar hoofdstuk:  inleiding/index -  1 - 2 - 3 - 4 - 5 6 - 7 - 8 - 9 - 10 - 11 - 12 - 13 - 14 - 15 - 16 17 - 18 - 19 - 20 - 21 - 22 - 23(1) - 23(2) - 24 - 25 - 26 -  27 - 28 - 29 - 30 - 31(1) - 31(2) - 32 - 33 - 34 - 35 - 36 - 37 - 38 39 - 40 - 41 - 42 - 43 - 44 - 45 - 46 - 47 - 48(A) - 48(B) - 49(A) - 49(B) - 50(A) - 50(B) - 51(A) - 51(B) - 52 - Safan


Jeremia 41:1-3 Het gebeurde echter in de zevende maand dat Ismaël, de zoon van Nethanja, de zoon van Elisama, iemand van koninklijke bloede, en de bevelhebbers van de koning en tien mannen met hem, naar Gedalia, de zoon van Ahikam, in Mizpa kwamen. Samen gebruikten zij daar de maaltijd in Mizpa. 2. Toen stond Ismaël, de zoon van Nethanja, op, met de tien mannen die bij hem waren, en zij sloegen Gedalia, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan, dood met het zwaard. Zo bracht hij hem ter dood die de koning van Babel over het land had aangesteld. 3. Ismaël versloeg alle Judeeërs die bij hem, namelijk bij Gedalia, in Mizpa waren, en de Chaldeeën, de strijdbare mannen, die zich daar bevonden.


Samen gebruikten zij daar de maaltijd in Mizpa....... 

het leek zo mooi: samen aan tafel eten. Juist in het Oosten een bewijs van gemeenschap. Wat mooi leek was zo gemeen, zo duivels. Gedalia die zijn gasten vertrouwde en niet wilde weten van verkeerde bedoelingen, zelfs niet na twee waarschuwingen. Gedalia had bij de ontmoeting met Ismaël, geen voorzorgsmaatregelen getroffen.

Toen stond Ismaël, de zoon van Nethanja, op, met de tien mannen die bij hem waren, en zij sloegen Gedalia........ Nadat ze gastvrij zijn ontvangen en Gedailia niets vermoedend zijn brood met hen deelt, komen Ismaël en zijn tien mannen ineens in actie en doden Gedalia. Ismaël is een onverschrokken man, alleen maar uit op eigen voordeel. 

Mensenlevens tellen voor hem niet. Hij overrompelt Gedalia en degenen die bij hem zijn en doodt hen (v. 1-3). En behalve Gedalia nog veel meer Judeeërs en ook Chaldese soldaten die in Mizpa aanwezig waren. Jeremia lijkt niet aanwezig te zijn geweest of is anderzins door God gespaard. Deze geschiedenis staat ook vermeld in 2 Kon. 25:25. Het doet denken aan het verraad van Judas en wat David ondervond.

David spreekt hier over Achitofel:

Psalm 41:10 Zelfs de man met wie ik in vrede leefde, op wie ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft zich tegen mij gekeerd.

Ismaël, de zoon van Nethanja, de zoon van Elisama, iemand van koninklijke bloede,...... Deze Ismaël stamde af van Elisama (1 Kron. 3:6), een zoon van koning David en Batseba. Het ligt voor de hand dat jaloezie hem tot die daad dreef. Er hoorde toch iemand uit het geslacht van David over Juda te regeren.....? De koning van Ammon had de juiste man uitgekozen voor zijn duistere plan. 


Jeremia 41:4-7 Het gebeurde op de tweede dag, nadat hij Gedalia ter dood gebracht had – en niemand wist het nog – 5. dat er mannen uit Sichem, uit Silo en uit Samaria aankwamen, tachtig man, met afgeschoren baard, gescheurde kleren, die hun lichaam gekerfd hadden, met in hun hand een graanoffer en wierook om in het huis van de HEERE te brengen. 6. Ismaël, de zoon van Nethanja, ging Mizpa uit, hun tegemoet, en ging al huilend zijn weg. Het gebeurde, zodra hij hen tegenkwam, dat hij tegen hen zei: Kom naar Gedalia, de zoon van Ahikam. 7. Het gebeurde echter zodra zij in het midden van de stad gekomen waren, dat Ismaël, de zoon van Nethanja, hen afslachtte. Hij en de mannen die bij hem waren, wierpen hen midden in de put.


Jeremia 41:4-7 Het gebeurde op de tweede dag, nadat hij Gedalia ter dood gebracht had – en niemand wist het nog – .......... Een dag na het bloedbad is het nieuws nog niet doorgedrongen. Er is een groep mannen onderweg naar de plek des onheils.

dat er tachtig mannen uit Sichem, uit Silo en uit Samaria aankwamen......... ze kwamen uit de steden en gebieden van het voormalige Noord Israël, dat ruim 100 jaar geleden door de Assyriërs was veroverd en waarvan het grootste deel van de bevolking in ballingschap was gegaan.

met in hun hand een graanoffer en wierook om in het huis van de HEERE te brengen......Ze kwamen met spijsoffers en wierook om naar de verwoeste tempel in Jeruzalem te gaan. Ze waren overduidelijk in de rouw. Dat was te zien aan de geschoren baarden en de insnijdingen, die overigens volgens de Tora niet zijn toegestaan. (Leviticus 19:27-28 - Deut. 14:1)  Hoewel het Israëliërs waren hadden ze naast hun graanoffers en wierook, heidense, uiterlijke tekenen van verdriet. Ze kwamen waarschijnlijk om rouw te bedrijven over de verwoeste tempel. Ze ontmoeten straks iemand die ook uiterlijke tekenen van verdriet vertoont:

Ismaël, de zoon van Nethanja, ging Mizpa uit, hun tegemoet, en ging al huilend zijn weg...... Ismaël gaat de groep tegemoet en doet alsof hij ook in de rouw is. Hij nodigt hen uit om bij Gedalia te komen, terwijl hij die man heeft gedood. Als ze in de stad komen, worden de meesten gedood door Ismaël en zijn mannen. Ze gooien de lichamen in de put. De waterput wordt hiermee voor de bevolking onbruikbaar. Als de Bijbel zegt dat "de satan een mensenmoordernaar en leugenaar van de beginne is" (Joh. 8:44) dan is het overduidelijk in wiens dienst deze Ismaël staat. 


Jeremia 41:8-10 Er bevonden zich echter onder hen tien mannen die tegen Ismaël zeiden: Breng ons niet ter dood, want wij hebben verborgen voorraden in het veld: tarwe, gerst, olie en honing. Toen zag hij ervan af en bracht hen niet ter dood te midden van hun broeders. 9. De put nu, waarin Ismaël alle dode lichamen geworpen had van de mannen die hij aan de zijde van Gedalia doodgeslagen had, is dezelfde put die koning Asa had gemaakt vanwege Baësa, de koning van Israël. Ismaël, de zoon van Nethanja, vulde deze met de gesneuvelden. 10. Ismaël voerde heel het overblijfsel van het volk dat in Mizpa was, als gevangene weg, te weten de dochters van de koning en heel het volk dat in Mizpa was overgebleven, waarover Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, Gedalia, de zoon van Ahikam, had aangesteld. Ismaël, de zoon van Nethanja, voerde hen als gevangenen weg en ging op weg om naar de Ammonieten over te steken.


Breng ons niet ter dood, want wij hebben verborgen voorraden in het veld: tarwe, gerst, olie en honing......

Van de tachtig mannen laat Ismaël er tien in leven. Zij blijken geheime voedselvoorraden in het veld te hebben. Mogelijk eigen proviand, maar ook datgene wat ze meegenomen hadden om aaan de HEERE te offeren. Ze bieden dit aan in ruil voor hun leven. Ismaël aanvaardt dit voorstel.  

De put nu, is dezelfde put die koning Asa had gemaakt vanwege Baësa, de koning van Israël........ Jeremia heeft een historische notitie ingevoegd, waaruit blijkt dat koning Asa van Juda (913-873 v.Chr.) opdracht had gegeven deze put te maken om zeker te zijn van voldoende drinkwater voor de inwoners toen hij Mizpa versterkte tegen de aanvallen van koning Baësa van Israël (910-887 v.Chr.) ( vgl. 1 Koningen 15:17-22 en 2 Kronieken 16:6). De put was nu vol met dode lichamen. Ismaël voerde heel het overblijfsel van het volk dat in Mizpa was, als gevangene weg,........

Ismaël neemt alle overgebleven mensen, die vallen onder het bestuur van Babel, gevangen en wil ze meevoeren naar Ammon. Mogelijk om ze als slaven aan de buitenlandse koning te verkopen. Wie met de dochters van de koning bedoeld zijn is niet vermeld. Mogelijk waren het achtergebleven dochters van koning Zedekia. 


Jeremia 41:11-13 Toen Johanan, de zoon van Kareah, en alle bevelhebbers van de legers die bij hem waren, van al het kwaad hoorden dat Ismaël, de zoon van Nethanja, had gedaan, 12. namen zij alle manschappen mee en gingen op weg om te strijden tegen Ismaël, de zoon van Nethanja. Zij troffen hem bij het grote water dat bij Gibeon is. 13. Het gebeurde nu, zodra heel het volk dat bij Ismaël was, Johanan, de zoon van Kareah en alle bevelhebbers van de legers die bij hem waren, zag, dat zij verblijd waren.


Toen Jochanan, de zoon van Kareah, en alle bevelhebbers van de legers die bij hem waren, van al het kwaad hoorden dat Ismaël had gedaan...... Jochanan, de bevelhebber van het leger, verneemt wat er in Mispa heeft plaatsgevonden en achtervolgt Ismaël. Jochanan was een betrouwbare man die Gedalia nog had gewaarschuwd voor de sluwe plannen van Ismaël. (Jeremia 40:15-16).

Zij namen alle manschappen mee en gingen op weg om te strijden tegen Ismaël...... Zodra hij er aankomt, slaan de gijzelaars op de vlucht. Maar Ismaël weet met een paar handlangers te ontkomen (v. 10-15).

Zij troffen hem bij het grote water dat bij Gibeon is......  Een plaats waar water is blijkt altijd een goede pleisterplaats. Daar troffen ze de wrede Ismaël met zijn Joodse gevangenen. Deze vijver werd onlangs door de archeoloog J.B. Pritchard blootgelegd; en nu, na ongeveer vijfentwintig eeuwen, staat er weer water in. We begrijpen nu ook dat de Gibeonieten waterdragers of waterputters werden genoemd. (Jozua 9:21)

De opzet van Ismaël is misschien niet geslaagd en het volk is blij, maar hij laat wel de mensen achter in grote verwarring. Het mooie nieuwe begin onder de wijze Gedalia wankelt. Vertrouwen in het nieuwe begin onder de heerschappij van Babel maakt nu plaats voor angst.


Jeremia 41:16-18 Toen nam Johanan, de zoon van Kareah, met alle bevelhebbers van de legers die bij hem waren, heel het overblijfsel van het volk mee dat hij van Ismaël, de zoon van Nethanja, uit Mizpa had teruggebracht, nadat deze Gedalia, de zoon van Ahikam, had doodgeslagen – mannen, strijdbare mannen, vrouwen, kleine kinderen en hovelingen, die hij uit Gibeon had teruggebracht. 17. Zij gingen op weg en verbleven in Geruth Chimham, dat bij Bethlehem ligt, om verder te trekken om in Egypte te komen, 18. weg van de Chaldeeën, want zij waren voor hen bevreesd, omdat Ismaël, de zoon van Nethanja, Gedalia, de zoon van Ahikam, had doodgeslagen, die de koning van Babel over het land had aangesteld.


Toen nam Johanan, de zoon van Kareah...... Jochanan en de andere bevelhebbers nemen het overgebleven volk mee en slaan hun kamp op bij Bethlehem. Zij verblijven op het landgoed dat David op zijn vlucht voor Absalom aan Chimham, de zoon van Barzillai, gaf. Zie 2 Samuël 19:37 enz.

om verder te trekken om in Egypte te komen...... De vraag is nu wat ze moeten doen. Jochanan beschouwde dit slechts als een rustplaats omdat hij zelf van plan was hen allen naar Egypte te brengen.

weg van de Chaldeeën, want zij waren voor hen bevreesd........uit angst voor de... Chaldeeën. De vrees is dat koning Nebukadnezar op een moment terug zal komen in Juda om te zien hoe het gaat (Jeremia 40:10). Als hij dan zal zien dat zijn stadhouder Gedalia is vermoord en ook veel van de Babylonische soldaten (vers 3), zullen ze dan niet een grote vergeldingsactie op touw zetten?  Het plan wordt gemaakt om naar Egypte te vluchten.