English & other languages: click here!

Jeremia 44 - God spreekt tot Zijn volk in Egypte

Jeremía profeteert naar aanleiding van de afgoderij die de Joden in Egypte plegen. Hij verkondigt dat de HEERE met Zijn oordelen zal komen. Bijna het hele overblijfsel van het volk in Egypte zal omkomen door zwaard en honger en zal Juda nooit meer zien.


Ga naar hoofdstuk:  inleiding/index -  1 - 2 - 3 - 4 - 5 6 - 7 - 8 - 9 - 10 - 11 - 12 - 13 - 14 - 15 - 16 17 - 18 - 19 - 20 - 21 - 22 - 23(1) - 23(2) - 24 - 25 - 26 -  27 - 28 - 29 - 30 - 31(1) - 31(2) - 32 - 33 - 34 - 35 - 36 - 37 - 38 39 - 40 - 41 - 42 - 43 - 44 - 45 - 46 - 47 - 48(A) - 48(B) - 49(A) - 49(B) - 50(A) - 50(B) - 51(A) - 51(B) - 52 - Safan


Jeremia 44:1-6 Het woord dat gekomen is tot Jeremia voor alle Judeeërs die in het land Egypte woonden, die woonden in Migdol, in Tachpanhes, in Nof en in het land van Pathros: 2. Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: U hebt zelf al het onheil gezien dat Ik over Jeruzalem en over al de steden van Juda gebracht heb. Zie, zij zijn heden ten dage een puinhoop, zodat er geen bewoner meer in is, 3. vanwege hun slechtheid die zij gedaan hebben om Mij tot toorn te verwekken, daarmee dat zij doorgingen met reukoffers te brengen en andere goden te dienen, die zij niet hebben gekend, zij, evenmin als u en uw vaderen. 4. Ik zond tot u al Mijn dienaren, de profeten, vroeg en laat, om te zeggen: Doe deze gruwelijke zaak toch niet, die Ik haat. 5. Maar zij hebben niet geluisterd en hebben hun oor niet geneigd door zich van hun slechtheid te bekeren door geen reukoffers meer te brengen aan andere goden. 6. Daarom zijn Mijn grimmigheid en Mijn toorn uitgegoten en hebben die gebrand in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem. Zij zijn geworden tot een puinhoop, tot een woestenij, zoals het heden ten dage is.


voor alle Judeeërs die in het land Egypte woonden, die woonden in Migdol, in Tachpanhes, in Nof en in het land van Pathros........ In het vorige hoofdstukhebben we gelezen dat een groep Judeeërs uit Israël naar Egypte is gevlucht. Net lazen we dat ze zich daar gevestigd hebben in de stad Migdol, een grensplaats in het oosten; in Tachpanches, even iets verder, ten westen van Migdol; in Nof, de vroegere hoofdstad van Egypte, bekend onder de naam Memfis; en in de landstreek Patros, in Zuid-Egypte (v. 1). Zij denken in Egypte veilig te zijn. (Jer. 42:14). 

Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël....... God sprak deze ontheemde Joden aan en maakte zich bekend met twee titels "YAHWEH van de Legermachten" (de HEERE Zebaoth) en "de God van Israël". En Israël en Juda bestonden niet meer als een koninkrijk. Maar in God's ogen bleef Zijn volk bestaan. Hij ziet vooruit naar wat Hij in hen tot stand brengt. 

zij gingen door met het brengen van reukoffers en het dienen van andere goden, die zij niet hebben gekend........omdat zij ook daar hun vroegere afgodische praktijken voortzetten, moet Jeremia hun opnieuw het oordeel van de HEERE aanzeggen. 

Ik zond tot u al Mijn dienaren, de profeten, vroeg en laat, om te zeggen: Doe deze gruwelijke zaak toch niet, die Ik haat..... God herinnert hen eraan dat God steeds weer door zijn profeten gewaarschuwd heeft. Niet alleen hun voorouders, ook zijzelf zijn vaak gewaarschuwd (v. 2-4). Maar er werd en wordt niet naar God geluisterd. De afgoden zijn niet aan de kant gezet (v. 5). Daarom is Gods oordeel over de Judeeërs gekomen en zijn al hun steden, met Jeruzalem erbij, tot een puinhoop geworden (v. 6). Dit heeft God ook pijn gedaan. (Jeremia 42:10) 


Jeremia 44:7-10 Welnu, zo zegt de HEERE, de God van de legermachten, de God van Israël: Waarom doet u uzelf zo'n groot kwaad aan dat u onder u man en vrouw, kind en zuigeling uit het midden van Juda uitroeit, en zelfs geen overblijfsel bij u overlaat? 8. U doet dat door Mij tot toorn te verwekken met de werken van uw handen, door reukoffers te brengen aan andere goden in het land Egypte, waar u gekomen bent om daar als vreemdeling te verblijven, zodat u uzelf uitroeit en u tot een vloek en tot smaad wordt onder al de volken van de aarde! 9. Bent u de slechte daden van uw vaderen vergeten, de slechte daden van de koningen van Juda, de slechte daden van hun vrouwen, uw slechte daden en de slechte daden van uw vrouwen, die zij gedaan hebben in het land Juda en op de straten van Jeruzalem? 10. Tot op deze dag zijn zij niet verbrijzeld van hart. Bevreesd zijn zij niet. Volgens Mijn wet en volgens Mijn verordeningen die Ik u en uw vaderen gegeven heb, hebben zij niet gewandeld.


Waarom doet u uzelf zo'n groot kwaad aan...... met het wegtrekken uit Juda heeft het volk een groot kwaad begaan, een kwaad dat ten koste van hun gezinnen gaat. 

dat u onder u man en vrouw, kind en zuigeling uit het midden van Juda uitroeit, en zelfs geen overblijfsel bij u overlaat....?  Er blijft niemand meer over in het Beloofde land, het land dat de HEERE in Zijn liefde voor hen bestemd had. God had er nog voor gezorgd dat de overgebleven armen wijgaarden en akkers werden toegewezen, zodat ze een bestaan konden opbouwen. (Jeremia 39:10)

door reukoffers te brengen aan andere goden in het land Egypte, waar u gekomen bent om daar als vreemdeling te verblijven...... Jeremia die - toen ze nog in Juda woonden - zo vaak had gewaarschuwd voor de afgoderij die het volk bedreef, kon alleen maar vaststellen dat dit opnieuw gebeurde in Egypte, waar weer andere goden werden gediend.

Tot op deze dag zijn zij niet verbrijzeld van hart........ Verootmoediging is zo hard nodig. Maar deze boodschap vond en vindt nog steeds geen gehoor (v. 10)


Jeremia 44:11-14 Daarom, zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik ga Mijn aangezicht tegen u ten kwade richten, en wel om heel Juda uit te roeien. 12. Ik zal het overblijfsel van Juda wegnemen, zij die hun zinnen erop gezet hebben om het land Egypte binnen te gaan om daar als vreemdeling te verblijven. Zij zullen allen in het land Egypte omkomen. Zij zullen vallen door het zwaard, omkomen van de honger, van klein tot groot. Door het zwaard en door de honger zullen zij sterven. Zij zullen tot een vervloeking en tot een verschrikking, tot een vloek en tot smaad worden. 13. Want Ik zal hen die in het land Egypte wonen, straffen, zoals Ik Jeruzalem gestraft heb, door het zwaard, door de honger en door de pest. 14. Er zal niemand zijn van het overblijfsel van Juda die ontkomt of ontvlucht, van hen die in het land Egypte gekomen zijn om daar als vreemdeling te verblijven, om eens terug te keren naar het land Juda, waarnaar zij verlangen om er terug te keren en daar te wonen. Nee, zij zullen niet terugkeren, behalve enkelen die wel ontkomen zullen.


Zie, Ik ga Mijn aangezicht tegen u ten kwade richten, en wel om heel Juda uit te roeien............. Wanneer deze Judeeërs dan ook blijven volharden in het kwaad, om afgoden in de plaats te stellen van YHWH, hun God, dan blijft ook God volharden in zijn oordeel (v. 11).

Zij zullen vallen door het zwaard, omkomen van de honger, van klein tot groot...... wat ze proberen te ontvluchten, zal hen juist treffen: het zwaard, de honger en de pest (v. 12,13).

zij zullen niet terugkeren, behalve enkelen die wel ontkomen zullen........... Het zal maar een enkeling  lukken te ontvluchten (v. 14).

Hoe zit het dan met ons? Niet luisteren naar de HEERE en je niet verootmoedigen voor Hem, brengt niets anders dan leed voort. Willen we dat aanvaarden of denken we het zelf beter te weten? Hopelijk is er bij ons een werkelijk verlangen om alleen YAHWEH te dienen en te vereren! Hij alleen is God, YAHWEH van de legermachten, de HEERE Zebaóth. Hij is genadig en vol liefde voor wie Hem oprecht zoeken, liefhebben en gehoorzamen. Maar wie zijn eigen weg blijft volgen en niet luistert naar de waarschuwingen, zoals in Jeremia beschreven, zal uiteindelijk ondergaan in het oordeel.

Profetische waarschuwingen zijn altijd bedoeld om mensen niet hun ondergang aan te zeggen, maar om erop te wijzen dat door te luisteren onheil kan worden voorkomen


Jeremia 44:15-18 Toen antwoordden al de mannen die wisten dat hun vrouwen reukoffers brachten aan andere goden, en al de vrouwen die daar stonden, een grote menigte, en heel het volk dat in het land Egypte, in Pathros, woonde, aan Jeremia: 16. Wat het woord betreft dat u in de Naam van de HEERE tot ons gesproken hebt – wij zullen niet naar u luisteren. 17. Nee, wij zullen beslist alle dingen doen die uit onze mond zijn uitgegaan, door reukoffers te brengen aan de koningin van de hemel en plengoffers voor haar uit te gieten, zoals wij gedaan hebben, wij en onze vaderen, onze koningen en onze vorsten, in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem. Toen werden wij met brood verzadigd, hadden wij het goed en hebben wij geen kwaad gezien. 18. Maar van toen af dat wij ermee zijn opgehouden aan de koningin van de hemel reukoffers te brengen en plengoffers voor haar uit te gieten, hebben wij aan alles gebrek gehad en kwamen wij door het zwaard en door de honger om. 19. En als wij, vrouwen, aan de koningin van de hemel reukoffers brengen en plengoffers voor haar uitgieten, gaat het dan buiten onze mannen om dat wij voor haar offerkoeken maken naar haar beeltenis, en voor haar plengoffers uitgieten?


 

wij zullen niet naar u luisteren.........

De Joden die in Migdol, in Tachpanhes, in Nof en in Patros woonden, reageren op botte wijze. Ze luisteren gewoonweg niet naar Jeremia en zeggen hem dat ronduit. 

wij zullen beslist alle dingen doen die uit onze mond zijn uitgegaan.......

deze uitdrukking betekent dat ze dit plechtig hebben beloofd. Ze draaien de zaak zelfs om. Ze zeggen dat de oorzaak van alle ellende niet het houden, maar juist het staken van deze afgodendienst is (v. 18)  De omgekeerde wereld. Alsof het nog niet duidelijk genoeg is dat het vanwege het verlaten van God en zijn geboden is dat al de rampen hun overkomen zijn. 

reukoffers te brengen aan de koningin van de hemel en plengoffers voor haar uit te gieten........ Ze spraken over de afgodische praktijken in de dagen voor de val van Jeruzalem en de verovering van Juda, toen ze de Babylonische afgodde koningin des hemels aanbaden met verschillende rituelen. Zij deden dit, hun vaders deden dit, en hun koningen en vorsten deden dit, in heel Juda en Jeruzalem. Het zijn heel vaak "moederfiguren" die aanbeden worden, zoals we dat zien in de Maria verering. In onze tijd is het Moeder Aarde, oftewel "Gaia", voor wie ook de huidige paus belangstelling heeft. Deze Gaia heeft alles te maken met de huidige klimaathysterie.

Toen werden wij met brood verzadigd, hadden wij het goed...... je ziet hier de profetie van Hosea in werking, waarbij Israël als de ontrouwe vrouw werd voorgesteld, die haar minnaars (de afgoden) achterna liep. En dan zegt God:

Hosea 2:7 Zíj erkent echter niet dat Ik het ben Die haar gegeven heeft het koren, de nieuwe wijn en de olie, dat Ik het zilver en het goud voor haar vermeerderd heb, dat zij voor de Baäl gebruikt hebben.

En als wij, vrouwen, aan de koningin van de hemel reukoffers brengen en plengoffers voor haar uitgieten...... in vers 19 komen de vrouwen aan het woord. Jeremia moet niet denken dat zij de Koningin des hemels dienen buiten medeweten van hun mannen. Ze gaven toe dat ze een belangrijke rol speelden in de aanbidding van de Babylonische koningin des hemels. De offerdienst bestaat ook uit het maken van koeken in de vorm van deze godin. Het is allemaal niet zo onschuldig.


Jeremia 44:20-23 Toen zei Jeremia tegen heel het volk, tegen de mannen en tegen de vrouwen, tegen heel het volk dat hem dit antwoord gegeven had: 21. Zou de HEERE niet gedacht hebben aan het wierookoffer dat u in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem in rook liet opgaan, u en uw vaderen, uw koningen en uw vorsten, en de bevolking van het land, en zou dat niet in Zijn hart opkomen? 22. De HEERE kon het niet langer verdragen vanwege uw slechte daden, vanwege de gruweldaden die u deed. Daarom is uw land geworden tot een verwoesting, tot een verschrikking en tot een vloek, zodat er geen bewoner meer is, zoals het heden ten dage is. 23. Vanwege het feit dat u reukoffers gebracht hebt en dat u gezondigd hebt tegen de HEERE, niet geluisterd hebt naar de stem van de HEERE en niet volgens Zijn wet, volgens Zijn verordeningen en volgens Zijn getuigenissen gewandeld hebt, daarom is dit onheil u overkomen, zoals het heden ten dage is.


Toen zei Jeremia tegen heel het volk, tegen de mannen en tegen de vrouwen....... dachten jullie echt dat het God ontgaan was dat jullie dit allemaal deden? Jullie en je voorouders, de koningen en de vorsten? Dacht je dat Hij niet merkte dat je je niet stoorde aan de wet uit de Tora? God heeft lang geduld gehad. Maar Hij kon het niet langer verdragen. Daarom zijn al die oordelen over jullie gekomen. Jullie leggen Gods geduld uit alsof het Hem niets kon schelen. Zowel God als Zijn profeten waren immers niet welkom. (Zou men ook in onze tijd zo gedacht hebben zolang God zich op de achtergrond hield?). 

Jeremia laat het juiste licht, Gods licht, vallen op deze zaak (v. 23). 


Jeremia 44:24-29 Verder zei Jeremia tegen heel het volk, en tegen al de vrouwen: Luister naar het woord van de HEERE, heel Juda dat in het land Egypte is. 25. Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: U en uw vrouwen hebben met uw eigen mond gesproken (en met uw eigen handen hebt u het uitgevoerd): Wij zullen beslist onze geloften volbrengen die wij hebben afgelegd, door reukoffers te brengen aan de koningin van de hemel en plengoffers voor haar uit te gieten. Nu, doe beslist uw geloften gestand en volbreng beslist uw geloften! 26. Daarom, luister naar het woord van de HEERE, heel Juda dat in het land Egypte woont: Zie, Ik zweer bij Mijn grote Naam, zegt de HEERE: Als Mijn Naam ooit nog zal worden aangeroepen door de mond van enig man uit Juda in heel het land Egypte, die zegt: Zo waar de Heere HEERE leeft! 27. Zie, Ik ga over hen waken ten kwade en niet ten goede. Alle mannen van Juda die in het land Egypte zijn, zullen omkomen door het zwaard of door de honger, totdat het met hen gedaan is. 28. Maar wie aan het zwaard ontkomen, zullen uit het land Egypte terugkeren naar het land Juda met weinig mensen. En heel het overblijfsel van Juda, dat naar het land Egypte gekomen is om daar als vreemdeling te verblijven, zal weten wiens woord standhoudt, het Mijne of het hunne. 29. En dit zal voor u het teken zijn, spreekt de HEERE, dat Ik in deze plaats u zal straffen, zodat u weet dat Mijn woorden over u beslist stand zullen houden, ten kwade:


Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël......... Opnieuw spreekt God hen aan met titels van macht, als de God van het hemelse leger, dat klaar staat om de oordelen uit te voeren, maar ook als de Verbondsgod. Chronologisch gesproken was dit waarschijnlijk Jeremia's laatste opgetekende profetie. Hij eindigde zoals hij begon: trouw aan God, vertrouwend op Gods trouw. Hij had zijn volk zien aftakelen van een relatief sterke onafhankelijke staat tot het punt van uitsterven, en er leek weinig vrucht te zijn voortgekomen uit zijn bediening. Maar in deze laatste woorden zijn zijn volslagen geloof in een almachtige God en zijn inzicht in fundamentele waarheden even duidelijk als altijd.

Nu, doe beslist uw geloften gestand en volbreng beslist uw geloften...............! Je proeft de sterke afkeer en de toon van spot in Jeremia's woorden: "doe vooral wat je beloofd hebt!" De HEERE zweert hier bij Zijn eigen Naam dat Zijn Naam niet meer mag worden aangeroepen met de bekrachtiging van een eed:  "Zo waar de HEERE leeft...".  Het overblijfsel van Juda dat tegen Gods wil naar Egypte is gegaan zal gaan merken dat Gods Woord zal standhouden. En omdat deze Judeeërs ook nu nog niet tot de HEERE willen terugkeren, maar hun heil buiten Hem zoeken, zullen ze in Egypte ondergaan (v. 24-27).


Jeremia 44:30 Zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga farao Hofra, de koning van Egypte, in de hand van zijn vijanden geven, en in de hand van hen die hem naar het leven staan, zoals Ik Zedekia, de koning van Juda, gegeven heb in de hand van Nebukadrezar, de koning van Babel, zijn vijand, die hem naar het leven stond.


Ik ga farao Hofra, de koning van Egypte, in de hand van zijn vijanden geven........... Als bewijs dat betrouwbaar is wat de HEERE zegt, spreekt Jeremia nog een profetie uit. God zal de Egyptische koning Hofra (tegeerde van 588-569 v. Chr. en voerde een anti-Babylonische politiek), op wie deze Judeeërs hun vertrouwen stellen, ‘in handen geven van zijn vijanden en van wie hem naar het leven staan’ (v. 30). Dat is ook gebeurd.
Toen Nebukadressar van Babel in 568 v. Chr. Egypte binnenviel, was Hofra al, door zijn tot koning uitgeroepen generaal Amasis en het volk, ter dood gebracht. De farao Hofra werd, zoals meerdere Egyptische farao's, in Ezechiël 29 en 30 vergeleken met de draak, of het zeemonster: het beest uit de zee. Hij wordt daar als farao, maar niet bij name genoemd, maar uit de datering weten we dat het om Hofra moet gaan. Wat God zegt, is de waarheid en komt altijd, vroeg of laat, uit.

zoals Ik Zedekia, de koning van Juda, gegeven heb in de hand van Nebukadrezar....... Zoals Jeremia voorheen al had geprofeteerd was het met Zedekia gegaan, zo zou het ook met de farao gebeuren. Gods oordelen zouden waar blijken te zijn. Dit was het teken voor de ongelovige Judeeërs dat de oordelen die God door Jeremia aankondigde ook werkelijk zouden plaatsvinden en daarmee ook het oordeel over de Judeeërs.