English & other languages: click here!

Jeremia 21 - Het komend oordeel aan Zedekia verkondigd

Het boek Jeremia is niet chronologisch gerangschikt. Er is een aanzienlijke sprong vanaf het einde van Jeremia 20 naar het begin van Jeremia 21. Jeremia 20 eindigde tijdens de regering van Jojakim, de zoon van Josia, die 11 jaar regeerde. Jeremia 21 spoelt ongeveer 20 jaar vooruit, naar de tijd dat Babylonische legers in Juda zijn en Jeruzalem wordt belegerd. Deze gebeurtenis zal ongeveer in het jaar 588 v.Chr. hebben plaatsgevonden. Intussen had Nebukadnezar Jeruzalem al een keer eerder belegerd. Dit tussenvoegsel gaat door tot Jeremia 22:50. 

Koning Zedekía is een tegenstander van Jeremía. Maar nu Jeruzalem is belegerd, vraagt hij of de profeet voor het volk wil bidden. Zedekía hoopt dat hij misschien nog strijd kan voeren tegen de Babyloniërs en dat de HEERE zal helpen. Jeremía antwoordt met een oordeelsprofetie tegen de stad. Hiermee heeft hij het verzoek (of was het een opdracht?) van de koning: te bidden voor de redding van Jeruzalem, afgewezen.


Jeremia 21:1-2 Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia, toen koning Zedekia Pashur, de zoon van Malchia, en de priester Zefanja, de zoon van Maäseja, naar hem toe gestuurd had om te zeggen: 2. Raadpleeg toch de HEERE voor ons, want Nebukadrezar, de koning van Babel, strijdt tegen ons. Misschien zal de HEERE met ons doen overeenkomstig al Zijn wonderen, zodat hij van ons wegtrekt.


Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia, toen koning Zedekia Pashur, de zoon van Malchia, en de priester Zefanja, de zoon van Maäseja, naar hem toe gestuurd had........ Jeremia had Pashur (niet dezelfde als in hoofdstuk 20) de zoon van Malchia, en de priester Zefanja, de zoon van Maäseja, aan de deur gehad met de opdracht:

Raadpleeg toch de HEERE voor ons...... dat was de vraag van koning Zedekia. Hij vroeg voorbede aan Jeremia in verband met de belegering van Jeruzalem. 

Misschien zal de HEERE met ons doen overeenkomstig al Zijn wonderen, zodat hij van ons wegtrekt...... Je vraagt je af of die koning ooit gehoord had waar Jeremia voortdurend voor gewaarschuwd had.

overeenkomstig al Zijn wonderen...... Koning Zedekia herinnerde zich waarschijnlijk het wonder van de bevrijding van Jeruzalem in de dagen van Hizkia, toen de Assyrische legers, geleid door Sanherib, de stad omsingelden (2 Koningen 18-19).

Hij hoopte dat God weer een wonder zou sturen en dat Nebukadnezar zal wegtrekken. De kennis van Gods wonderen die Zedekia bezit, is een verstandelijke kennis en gaat niet samen met geloof in de God van de wonderen. Deze kennis denkt hij goed te kunnen gebruiken voor zijn politieke doelen.   


Jeremia 21:3-6 Toen zei Jeremia tegen hen: Dit moet u tegen Zedekia zeggen: 4. Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Zie, Ik ga de wapenrusting omdraaien die in uw hand is, waarmee u tegen hen strijdt, tegen de koning van Babel en tegen de Chaldeeën, die u buiten de muur belegeren, en Ik zal hen verzamelen midden in deze stad. 5. Ík zal tegen u strijden met een uitgestrekte hand en met een sterke arm, ja, met toorn, met grimmigheid en met grote verbolgenheid. 6. Ik zal de inwoners van deze stad treffen, zowel mens als dier: door een grote pestziekte zullen zij sterven.


Dit moet u tegen Zedekia zeggen............Jeremia bidt niet, maar geeft vrijmoedig en duidelijk het antwoord van YHWH. Hij staat tegenover deze boodschappers van koning Zedekia, als de boodschapper van God, de Koning der Koningen.

Zie, Ik ga de wapenrusting omdraaien die in uw hand is........  De Koning der Koningen zal Zedekia en het volk niet helpen. Hij zal de wapens in de handen van de inwoners van Jeruzalem 'omdraaien' wat betekent 'inzetten tegen hemzelf'. 

Ik zal hen verzamelen midden in deze stad........De HEERE zal de Babyloniërs juist helpen binnen de stadsmuren te komen

Ík zal tegen u strijden met een uitgestrekte hand en met een sterke arm.......Met de ‘uitgestrekte hand en sterke arm’ verloste Hij eerder het volk uit Egypte, maar nu zal Hij het slaan (zie Deut. 26:8) ja, met toorn, met grimmigheid en met grote verbolgenheid.

Die sterke arm van God was de geschiedenis door altijd te zien. De uitdrukking komt vaker voor. In Deuteronomium lezen we: 

‘want gij zult gedenken, dat gij dienstknechten in het land Egypte geweest zijt, en dat de HERE, uw God, u vandaar heeft uitgeleid met een sterke hand en met een uitgestrekte arm.' Deuteronomium 5:15

In het Hebreeuws bevat de uitdrukking in beide teksten dezelfde woorden, maar in andere volgorde, waarmee de Nederlandse vertaling overeenkomt.

Het gaat hier om de almacht van onze God uit te drukken, die in de strijd een sterke arm is tegen de vijand en ter bescherming van Zijn volk. Hier is het andersom! De arm keert zich tegen Zijn volk, ten gunste van de vijand en daarom zijn de woorden mogelijk ook andersom gerangschikt.

Ik zal de inwoners van deze stad treffen........ YHWH zal de mensen en beesten treffen met de pest, waaraan ze zullen sterven. 


Jeremia 21:7 Daarna, spreekt de HEERE, zal Ik Zedekia, de koning van Juda, zijn dienaren, het volk, en hen die in deze stad overgebleven zijn van de pest, het zwaard en de honger, in de hand geven van Nebukadrezar, de koning van Babel, in de hand van hun vijanden en in de hand van hen die hen naar het leven staan. Hij zal hen slaan met de scherpte van het zwaard: Hij zal hen niet sparen, geen medelijden hebben, en zich over hen niet ontfermen.


in de hand geven van Nebukadrezar, de koning van Babel.......Daarna zal YHWH,  Zedekia, zijn knechten en het volk dat niet is getroffen door pest, zwaard of honger, overgeven aan Nebukadnezar. Zij zullen worden meegevoerd in ballingschap.


2 Koningen 25:7 Zij slachtten de zonen van Zedekia voor diens ogen af. Verder maakte men de ogen van Zedekia blind en men bond hem met twee bronzen ketenen en bracht hem naar Babel.

Kort nadat Jeremia dit oordeel had uitgesproken werd Zedekia gevangen genomen, en nadat zijn zonen voor zijn eigen ogen gedood werden, staken ze zijn ogen uit.

Hij werd blind en geketend meegevoerd naar Babel. Meer hierover is te lezen in Jeremia 34, Jeremia 35 en in dit artikel.


Hij zal hen slaan met de scherpte van het zwaard......geen medelijden hebben, en zich over hen niet ontfermen.... het oordeel komt met al zijn verschrikkingen. Maar ze waren keer op keer gewaarschuwd, God had zoveel geduld met hen gehad. 


Jeremia 21:8-10 En tegen dit volk moet u zeggen: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik houd u de weg naar het leven en de weg naar de dood voor. 9. Wie in deze stad blijft, zal sterven door het zwaard, door de honger of door de pest. Maar wie vertrekt en overloopt naar de Chaldeeën, die u belegeren, die zal in leven blijven en zijn leven zal hem tot buit zijn. 10. Want Ik heb Mijn aangezicht tegen deze stad gericht ten kwade en niet ten goede, spreekt de HEERE. Zij zal overgegeven worden in de hand van de koning van Babel, en hij zal haar met vuur verbranden.


Zie, Ik houd u de weg naar het leven en de weg naar de dood voor......

Deze boodschap geldt zowel de koning als het volk. Een boodschap voor alle tijden, ook de onze: Het gaat om de weg naar het leven en die naar de dood.

MOZES: Zie, ik heb u heden het leven en het goede voorgehouden, maar ook de dood en het kwade. Deuteronomium 30:15

JOZUA: Maar als het in uw ogen kwalijk is de HEERE te dienen, kies voor u heden wie u zult dienen: óf de goden die uw vaderen, die aan de overzijde van de rivier woonden, gediend hebben, óf de goden van de Amorieten, van wie u het land bewoont. Maar wat mij en mijn huis betreft, wij zullen de HEERE dienen! Jozua 24:15

ELIA: Hoelang hinkt u nog op twee gedachten? Als de HEERE God is, volg Hem, maar als het de Baäl is, volg hem! Maar het volk antwoordde hem niet één woord. 1 Koningen 18:21

YESHUA: Ga binnen door de nauwe poort, want wijd is de poort en breed is de weg die naar het verderf leidt, en velen zijn er die daardoor naar binnen gaan; maar de poort is nauw en de weg is smal die naar het leven leidt, en weinigen zijn er die hem vinden. Mattheüs 7:13-14

Het vervolg van de boodschap is zowel voor de koning als voor de inwoners van Jeruzalem. Wie in de stad wil blijven zal sterven. Wie zich overgeeft aan de Babyloniërs en meegaat in ballingschap, zal het leven behouden.( Jeremia 38:2)

Deze boodschap was natuurlijk tegengesteld aan wat de leiders en de valse profeten verkondigden. Ze moesten positief denken moedig zijn en vasthouden aan hun land en de stad waarin de tempel stond. Ze moesten de goden te hulp roepen. Maar het aanvaarden van Gods oordeel zou een eerste stap blijken te zijn op de weg ten leven.

Ik heb Mijn aangezicht tegen deze stad gericht ten kwade en niet ten goede.......omdat God zich geheel tegen Juda en Jeruzalem had gekeerd, was het beter om daartegen niet in verzet te gaan. Dit is een blijvend geestelijk principe: wanneer we tegen God strijden, is onze enige hoop op Leven met een hoofdletter, gelegen in overgave. Dit is de overwinning op het eigen zondige "ik". 


Jeremia 21:11-12 Over het koningshuis van Juda. Hoor het woord van de HEERE, 12. huis van David. Zo zegt de HEERE: Verschaf 's morgens recht, en red wie beroofd is uit de hand van wie onderdrukt, anders laait Mijn grimmigheid op als een vuur en brandt die zo, dat niemand blussen kan, vanwege uw slechte daden.


Zoals in de inleiding aangegeven worden de gebeurtenissen niet altijd chronologisch beschreven. Dat blijkt ook hier.  Dit gedeelte (Jeremia 21:11-14) geeft nog enigszins hoop op berouw en herstel. Dat was in het voorafgaande gedeelte beslist een gepasseerd station. 

Optreden JEREMÍA 627-586 v. Chr.


Hoor het woord van de HEERE, huis van David....... het koningsgeslacht van David is een dynastie waarvan de lijn doorloopt tot deze vervuld is in de Messias. (2 Samuël 7:12-16) Het gaat hier dus niet alleen om de koning die er op dit moment zit. In volgorde van de geschiedenis sluit dit gedeelte niet aan op Jeremia 21:1-10, waar het gaat over koning Zedekia. De volgende verzen zijn zeer waarschijnlijk eerder opgetekend in de tijd van koning Jojakim. 

Verschaf 's morgens recht....... waarom er 's morgens genoemd wordt is niet te achterhalen. Dat er recht en gerechtigheid moet plaatsvinden is in de hele Bijbel een belangrijke voorwaarde. Mogelijk zou het woord 's morgens willen zeggen dat er direct recht gesproken moest worden zodra dat nodig was. Niet onnodig uitstellen!

red wie beroofd is uit de hand van wie onderdrukt..... iemand die beroofd is moet zo snel mogelijk gered worden uit de macht van de onderdrukker. Het maakt God heel erg boos als dat niet gebeurt.  In Jeremia 22:13-17 wordt gezegd dat koning Jojakim geen recht en gerechtigheid uitoefende, zoals zijn vader Josia wel deed.

als een vuur dat zo brandt, dat niemand het blussen kan, vanwege uw slechte daden...... dat vuur leek in het eerste deel van dit hoofdstuk al ontstoken te zijn. En het was terecht....


Jeremia 21:13 Zie, Ik zál u, u die zetelt in het dal, rots in de vlakte, spreekt de HEERE, u die zegt: Wie zal naar ons afdalen of wie zal onze schuilplaatsen binnenkomen? 14. Ik zal u overeenkomstig de vrucht van uw daden straffen, spreekt de HEERE, Ik zal een vuur aansteken in zijn woud; dat alles rondom zich zal verteren.


Ik zál u, u die zetelt in het dal, rots in de vlakte........ De HEERE zal degenen die gesetteld zijn in de benedenstad van Jeruzalem (die zetelt in het dal) straffen. De term ‘rots in de vlakte’ verwijst naar de bovenstad van Jeruzalem en met de vlakte wordt waarschijnlijk het tempelplein bedoeld. Velen denken dat deze stad een veilige plek is, maar YAHWEH zal haar straffen. 

Wie zal naar ons afdalen of wie zal onze schuilplaatsen binnenkomen..............? De bewoners van Jeruzalem voelden zich toen erg veilig in hun stad.  Ze waren een rots omringd door drie valleien. Zij woonden immers in de tegenwoordigheid van de tempel. In het verleden had Hizkia ervoor gezorgd dat er bij een belegering voldoende drinkwater zou zijn.   

Ik zal u overeenkomstig de vrucht van uw daden straffen......... En die vrucht bestaat uit onrecht, afgoderij, kinderoffers en verbondsbreuk, maar ook het vervolgen van de profeten die de waarheid spraken.

Ik zal een vuur aansteken in zijn woud....... Met “woud” wordt blijkbaar het koninklijk paleis bedoeld. Salomo’s paleis werd wel “het Woud van de Libanon” genoemd, (1 Kon.7:2) vanwege het grote aantal ceders van de Libanon die bij de bouw zijn verwerkt. 

In Ezechiël 24 kun je lezen over de inname van Jeruzalem.  Zie deze Jaïr studie.